Deel 5

Ik slik en probeer geconcentreerd te luisteren. Ik hoor vooral geruis en her en der gestommel. Er ontstaat een grote steen in mijn maag en ik merk dat mijn ademhaling steeds onregelmatiger wordt. 

Ik snuif, adem diep in door mijn neus en uit alle macht probeer ik te luisteren. Dan meen ik iets van een ademhaling te horen. 

‘Joke?’ De onmacht is duidelijk hoorbaar in mijn stem. 

‘Oh Esmee… Nee… nee…’ Hoor ik dan weer. 

Godzijdank. 

Ze is er nog. 

‘Joke. Bel Henk en kom hierheen. Nu.’

Het is weer eventjes stil, op wat zacht gesnik na, dan hoor ik dat iemand tegen haar praat. Ik kan het niet verstaan, maar het lijkt een mannenstem. 

‘Ik moet weg.’ Haar woorden klinken onvolledig, gehaast uitgesproken en overduidelijk overdonderd.

Ik hoor dat er weer iets tegen haar gezegd wordt. Ja, het is duidelijk een man. Ik kan hem niet verstaan. 

‘Nee, u kunt niemand voor mij bellen. Ik moet gewoon weg.’

‘Joke, kan je me beloven dat je zo meteen Henk belt?’ Mijn hartslag daalt een beetje en ik tril. 

‘Ja, dat is goed.’ Haar stem is zacht.

Ik haal opgelucht adem en kom merkbaar weer een beetje bij. 

Dan realiseer ik me ineens weer dat ik kinderen heb. 

Oh! De kinderen! Ik heb kinderen. 

Snel werp ik een blik op de tuin. Jasper en Eva zitten met z’n tweeën onder de groene glijbaan, zogenaamd koffie te drinken. 

Is het raar dat ik even was vergeten dat ze er waren? Dat ik ze überhaupt had? Een schuldgevoel maakt zich van mijn meester, maar ik probeer het van me af te schudden. 

 

Erik en Marc zitten nog steeds met z’n tweeën aan de eettafel en drinken de laatste restjes van hun koffie op. Als een stel haviken houden ze me in gaten, wat me steeds meer op de zenuwen gaat werken. 

Ik schrik als ineens de bel gaat en ik voel een sprankje hoop, een sprankje ‘ik zei het toch’ door mijn lichaam schieten. Mijn ogen worden iets groter en ik neem een paar grote stappen naar de gang. 

Zie je wel.

Hij is er nog. 

Dit is hem. 

Leon. 

Ze hebben het mis, het is iemand anders. 

Ik ren bijna door de gang naar de voordeur en krijg langzaam een glimlach op mijn gezicht. 

Ja. Deze nachtmerrie is bijna voorbij!

Ik geef een ruk aan de klink van de deur en voor mijn ogen vliegt hij open. Ik merk dat ik mijn adem in houd… en kijk dan recht in het gezicht van mijn vader. 

Godver. 

Ik zie zijn vertrouwde grijze haren, warrig als altijd op zijn hoofd. Zijn warme bruine ogen die me vanachter zijn goudkleurige bril aanstaren. Zijn ogen zijn rood omrand, alsof hij net gehuild heeft en zijn gezicht ziet er bleek uit. 

Zonder wat te zeggen zet hij een stap naar voren, legt zijn handen op mijn wangen en trekt me naar zich toe. Ik voel een warme, harde kus op mijn voorhoofd en dan slaat hij zijn armen om me heen en trekt me tegen hem aan. 

De armen die me al bijna dertig jaar lang vasthouden als ik me niet lekker voel, als ik verdrietig ben, als ik blij ben. Ik snuif zijn geur op. De herkenbare geur van sigaretten en zijn onmiskenbare eau de toilette maken dat ik tranen in mijn ogen krijg. 

Ik voel me veilig. 

Papa. 

En dan komen de tranen. Midden in de deuropening begin ik te snikken, te huilen. Ik laat me helemaal gaan in deze warme, oh zo vertrouwde cocon en vergeet alles om me heen. 

De tranen blijven maar stromen en mijn vader laat me gaan. Hij laat me huilen en houdt me met veel druk vast. Hij zegt niets. Hij is er gewoon. 

Dat is precies goed. 

‘Help me, papa. Help me,’ snik ik. 

 

Het voelt alsof we een half uur zo blijven staan, maar in werkelijkheid zal het een minuut of drie zijn. 

Ik word iets rustiger, mijn ademhaling stabiliseert en de tranen worden gedroogd door het wit met blauw geblokte overhemd van mijn vader. 

Mijn vader laat me een beetje los en manoeuvreert me voorzichtig opzij. Hij slaat een arm om me heen en als ik hem aankijk, zie ik zijn eveneens betraande gezicht met rode vlekken. Hij haalt zijn neus op en geeft me nog een kus. 

‘Kom lieverd,’ zegt hij. 

Ik begraaf me onder de arm van mijn vader en loop voorzichtig met hem mee. Terwijl we door de gang lopen, realiseer ik me dat Jasper en Eva nooit deze veilige cocon van hun vader meer zullen meemaken. Die gedachte maakt dat ik meteen weer vol schiet en de tranen opnieuw komen. 

De grip die mijn vader op me heeft verstevigd, hij voelt mijn emotie en we lopen naar binnen. 

Marc en Erik zijn inmiddels opgestaan en lopen naar ons toe. Ze wachten netjes totdat mijn vader zijn hand iets van mij losmaakt. 

‘Jesse van Veen,’ zegt mijn vader, als hij hen een hand geeft. ‘Vader van Esmee.’

De beide agenten stellen zichzelf voor en condoleren mijn vader. ‘Gecondoleerd met uw verlies’ 

Wat klinkt dat raar. 

Gecondoleerd. 

Afstandelijk. 

Naar. 

Ik trek mijn neus iets op, maar realiseer me dat dit een veelgebruikte uitdrukking is van de agenten. Waarom voelt het dan zo abnormaal?

‘Heb je mama al gebeld, schat?’ Mijn vader kijkt me vragend aan. Ik schud mijn hoofd. 

‘Nee.’

‘Zal ik dat doen?’

Ik knik. Ik wil niet meer. 

‘Wie heb je al wel gesproken?’

‘Joke. Zij belt Henk en komt hierheen. En jou. Verder niemand.’

Erik kijkt me meelevend aan. 

‘Esmee, er zijn nog wel een paar dingen die we moeten bespreken.’ 

Het voelt alsof ik opnieuw slecht nieuws krijg. Ik ben hier niet klaar voor. Mijn lichaam reageert meteen en ik deins een stukje achteruit, nog dieper achter de rug van mijn vader. 

Ik kan dit niet, niet nu. 

Alsof de natuur het zo geregeld heeft, doet mijn vader binnen een seconde een klein stapje naar voren. Hij zet zijn rechtervoet voor mijn linkervoet en drukt me achter hem. Hoewel het rationeel gezien nergens op slaat dat hij dit doet, heb ik het zó nodig. Iemand die even letterlijk voor me gaat staan en me beschermd tegen het slechte nieuws. Wetende dat de pijn, het verdriet en de angst uiteindelijk dwars door me heen zal gaan, wetende dat niemand me uiteindelijk zal kunnen beschermen… maar nu wel. 

Eventjes nog.  

‘Bespreek dat maar even met mij.’ De zware stem van mijn vader klinkt zelfverzekerd en mijn lichaam begint te schokken. 

Ja. 

Ik ben niet meer alleen.

Godzijdank. 

Ik sluit mijn ogen en voel weer tranen omhoog komen. Ik voel een pijn bij mijn maag, waar de immense steen zit en krimp in elkaar. Mijn vader houdt me tegen, vangt me op en dwingt me om mee te lopen naar de bank. 

‘Kom even zitten Essie.’ Dan loopt hij naar de keuken, pakt een glas uit de kast en vult hem water. 

Hij komt terug en drukt mij het glas in mijn hand.

‘Neem even een slokje.’

Ik wil helemaal geen water, maar ik heb de kracht niet om er tegenin te gaan. Langzaam neem ik een slokje water. 

Het is lauw. Bah.

Ik neem nog een slokje en zet dan trillend het glas op de salontafel. Mijn arm voelt zwaar en ik voel een hoofdpijn opkomen. 

‘Ik wil graag even met de agenten praten, schat. Ik wil weten wat er precies gebeurd is. Wil jij dat ook horen of wil je het later van mij horen?’

Ik kijk hem aan met een glazige blik. Het dringt niet tot me door wat hij tegen me zegt. Nu ik al deze tranen eruit heb gegooid voel ik me alleen maar heel erg leeg.

Als er normaal gesproken iets aan de hand is, voel ik opluchting na een flinke huilpartij. Dit is nieuw voor mij. 

Ik voel enkel een leegte en haal mijn schouders op. 

Ik kijk naar buiten en zie dat de zachtgroene jurk van Eva bruin is geworden. Ze heeft met haar handjes in het zand gezeten, waarschijnlijk. 

‘Esmee, ga anders even naar buiten, naar de kinderen.’

Ik zeg niks, maar blijf nog tien seconden zwijgend zitten. 

Ik wil het niet horen. 

Ik wil het niet weten. 

Langzaam sta ik op en loop richting de deur. 

‘Ik ben hier, schat. Ik ga nergens heen,’ fluistert mijn vader. 

Ik kijk hem aan en zie de onrust in zijn ogen, de warmte, de bezorgdheid. 

‘Bel jij mama?’ vraag ik zachtjes. 

‘Ja. Ik bel mama.’

Mijn ouders zijn al bijna twintig jaar gescheiden, maar kunnen nog prima met elkaar overweg. Ik heb niet zo’n goede band met mijn moeder. Ze is echt wel lief en is altijd wat zweverig geweest, maar naar mijn mening is ze de afgelopen jaren enorm doorgeslagen op dat gebied. 

Ik, als nuchtere, Hollandse meid, heb dat totaal niet en dat heeft weleens gebotst, met tot gevolg dat ik enkele maanden geleden een pauze heb genomen van mijn moeder. Sindsdien heb ik haar niet meer gesproken. Ik heb begrepen dat ze ergens in Thailand heeft gezeten voor iets zen-achtigs, maar ik weet niet precies hoe het zit. Ik weet ook niet of ze nu in Nederland is of niet.

Ik duw de deur open en de frisse, maar zachte buitenlucht omarmt me meteen. Op de een of andere manier heb ik het gevoel dat ik doodmoe ben. Mijn ogen zijn zwaar, alle energie lijkt uit mijn lichaam te zijn en ik voel me volledig leeggezogen. 

Hoe moet ik dit nou doen?

Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)