Doodse Stilte - Vanuit Fenna


Deel 6

Het is koud en regenachtig weer. De zon is verstopt achter een grote stapel donkere wolken en de koude voorjaarswind vliegt met een noodgang over de natgeregende straat. 

Ik trek de rits van mijn leren jasje nog iets verder omhoog en baal dat ik deze morgen geen sjaal om heb gedaan. Mijn blonde haren zijn vandaag zorgvuldig opgestoken. Als ik mijn haren los draag op dit soort dagen, kan ik er donder op zeggen dat mijn kapsel binnen een uur volledig verknald is. Ik voel een paar kleine regendruppels op mijn wang en kijk omhoog, om te zien of ik ergens een glimpje blauwe lucht kan ontdekken. Helaas ziet het er grijs en grauw uit, maar het is gelukkig niet meer zo koud als de afgelopen dagen.  

Deze winter is het enorm koud geweest en er is ongelooflijk veel sneeuw gevallen. Nu is het voorjaar eindelijk aangebroken en de lentezon zou zich, als het goed is, ergens deze week aandienen. 

Maar ik heb nu geen tijd om daar verder over na te denken. Vandaag is een belangrijke dag. Vandaag heb ik mijn allereerste eindexamen en vol zelfvertrouwen loop ik richting het schoolplein. Moeite met leren heb ik nooit gehad, maar de afgelopen weken werd het me wel erg makkelijk gemaakt om mijn boeken steeds opnieuw te pakken. Leon en ik hebben hele middagen en avonden samen zitten leren, oefenen en we hebben elkaar veelvuldig overhoord. Ik ken Leon nu acht maanden, zeven dagen, twee uur en drieëntwintig minuten en verbazingwekkend genoeg heeft hij me al die tijd met geen vinger aangeraakt en op de één of andere manier is mijn behoefte om hém aan te raken veranderd. Begrijp me niet verkeerd, ik weet zeker dat er nog vele momenten gaan komen waarbij hij me zal verslinden in bed, maar onze eerste keer is nog niet gekomen. Ik verwacht echter dat het niet lang meer duurt. Zodra onze examens voorbij zijn, hebben we rust. Dan hebben we tijd genoeg om elkaar ook lichamelijk te leren kennen. 

Inmiddels ken ik Leon, naast het lichamelijk aspect, als geen ander. Los van het oefenen voor de examens hebben we samen veel tijd doorgebracht. We hebben uren achter elkaar gepraat over van alles en nog wat. Hij is ongelooflijk lief, betrouwbaar en zal nooit iemand kwaad doen, nooit. Zijn oprechte belangstelling vond ik in het begin niet geloofwaardig, maar naarmate de tijd verstreek, merkte ik dat hij écht luisterde als ik wat vertelde. Hij wilde echt weten hoe ik over bepaalde dingen dacht en respecteerde mijn mening en visie op bepaalde onderwerpen. Hij zette me aan het denken over onderwerpen waar ik eerder nooit over nadacht.

Tot voor kort volgde ik zelden het nieuws, laat staan dat ik ook maar een beetje geïnteresseerd was in politiek. Maar… sinds ik Leon ken, heeft het ineens mijn aandacht getrokken en vind ik het zelfs leuk om op de hoogte te blijven van wat er speelt in de wereld. De ellenlange gesprekken die ik hierover met hem kan hebben zijn heerlijk. Ik kan op die momenten alles om me heen vergeten en het voelt alsof Leon en ik in een eigen bubbel zitten. Samen, met ons tweeën.

Nog nooit heb ik iemand ontmoet die op deze manier met me omgaat. Leon is uniek. Hij is zo bijzonder, zo fantastisch leuk, dat ik zeker weet dat er een toekomst voor ons samen is weggelegd. Waar ik eerder niet in het huwelijk geloofde, weet ik het nu zeker: Leon en ik gaan later trouwen. We gaan zelfs samen kinderen krijgen, want Leon zal wél die goede vader zijn, waar iedereen het over heeft. De vader die zijn kinderen elke ochtend met een grote glimlach uit bed haalt, die lief is voor zijn kinderen. Hij zal zijn kinderen nooit aanraken, behalve om te knuffelen. Hij zal ze nooit zware klusjes laten doen en hij zal ze kennis laten maken met de mooie dingen op de wereld. Ik zal de vrouw zijn waar hij altijd van gedroomd heeft. Ik zal voor hem koken, het huis op orde hebben, zijn pantoffels klaarzetten als hij uit zijn werk komt en hem met een koud biertje opwachten. Zodra de kinderen naar bed zijn, dan zijn we samen, met ons tweetjes. Dan zullen we hartstochtelijke en passionele seks hebben, zoals ik dat op televisie wel eens heb gezien en waarvan ik altijd dacht dat het fictie was. Maar met Leon… met hem zal het écht zo zijn. 

Elke avond ga ik slapen met Leon in mijn gedachten. En elke ochtend sta ik op, vaak na een zaligmakende droom, en dan denk ik nog steeds aan hem. En weet je? Ik weet dat Leon ook de hele tijd aan mij denkt. Hij heeft het niet naar me uitgesproken, maar dat is ook niet nodig. We hebben zo’n hechte band ontwikkeld dat we bijna in elkaars hoofd kunnen kijken. Ik weet zeker dat Leon net zo gek is op mij, als ik op hem. Als hij me met zijn enorm blauwe ogen aankijkt, dan voel ik de seksuele spanning tot in mijn tenen. Het is niet te missen. 

Dat hij me nog nooit aangeraakt heeft, komt omdat we in het examenjaar zitten. En de examens zijn bijna voorbij. En dan... dan gaan we volledig los samen, ik weet het zeker. Zijn mond zegt het niet, maar zijn ogen en lichaamstaal spreken boekdelen. Hij is zó ongelooflijk relaxed als hij bij mij is, dat kan alleen als je heel veel van iemand houdt, dus dat doet hij. Leon en ik, wij zijn voor elkaar gemaakt… 

 

Als ik de grote gymzaal inloop, zie ik rijen en rijen tafels en stoelen staan. Ze staan in superrechte lijnen opgesteld en tussen de vele klasgenoten zie ik wat leraren lopen, die de boel een beetje in de gaten houden en her en der wat vragen beantwoorden. 

De tafels zijn nog leeg, het examen is nog niet begonnen en met een noodgang screen ik iedereen die ik zie lopen, op zoek naar mijn Leon.
Hij is er helaas nog niet, dus ik besluit om een beetje bij de deur rond te blijven hangen. Ik wil ervoor zorgen dat ik straks aan het tafeltje precies achter Leon kan gaan zitten. Op die manier kan ik telkens eventjes naar hem kijken, zonder dat hij het door heeft. Natuurlijk kan ik enkel zijn rug zien, maar dat maakt niets uit. Ik weet tot in detail hoe zijn gezicht eruitziet. Elke millimeter heb ik geobserveerd en opgeslagen in mijn geheugen. Ik deed dat met name als we samen waren, maar ik heb ook honderden foto’s van hem genomen de afgelopen maanden. Uiteraard deed ik dat stiekem. Niet omdat ik me ervoor schaam of zo, maar gewoon… zodat hij niet denkt dat ik alleen maar met hem bezig ben. 

Een week of twee geleden zei hij dat ik wel erg veel contact met hem zocht en dat hij wat ruimte nodig had. Ik vond het wel aandoenlijk, dat ‘hard to get’ spelen van hem. Alsof het mogelijk is dat we te veel contact hebben. Dat we elkaar te vaak zien, aan de telefoon hebben of berichtjes naar elkaar sturen. Haha, de grapjas. 

Maar het was duidelijk dat hij goed had geoefend op zijn serieuze blik en dat vond ik zó schattig, dat ik het spelletje mee heb gespeeld en net heb gedaan alsof ik ook bezig ben met andere dingen de laatste tijd. Ik kan hem natuurlijk niet vertellen dat ik zoveel foto’s van hem heb gemaakt, want dat past niet in ons spelletje. 

 

‘Fenna, we gaan beginnen. Zoek je een plekje?’ hoor ik de stem van een oudere leraar. Ik schrik op en kijk nogmaals om me heen. Waar is Leon? Heb ik hem gemist? 

Tot mijn verbazing zie ik hem nergens. Ik weet zeker dat hij hier moet én wil zijn. We hebben uren voor dit vak geoefend en we kennen allebei de stof helemaal uit ons hoofd. Ik geloof niet dat hij nu bewust wegblijft. Er moet iets aan de hand zijn. 

‘Leon is er nog niet, meneer,’ zeg ik tegen de leraar. 

‘Die komt vast zo wel, het kan nog. Zoek jij een plekje?’ zegt hij.  

Ik voel dat mijn hart luidkeels in mijn keel begint te bonzen en ik haal diep adem. 

Fuck, fuck, fuck. Ik moet dit samen met hem doen. Wat heeft het allemaal voor zin gehad als we dit niet samen kunnen afsluiten? Verdorie. 

Ik merk dat ik wild mijn hoofd van links naar rechts beweeg en voor de zoveelste keer mijn medeleerlingen observeer, maar ik weet dat het verspilde moeite is, Leon is er niet. 

Ik snap er niets van, hoe kan dit nou? Wat zal er aan de hand zijn?

Leon, mijn Leon. Waar ben je? 

Er komen tranen in mijn ogen en ik doe mijn best om ze tegen te houden, terwijl ik word overvallen door een ellendig gevoel. Hij zou hier moeten zijn. Ik heb er recht op om hem te zien. Nú. Daar heb ik op gerekend en anders klopt het niet. Dan is het niet eerlijk. We moeten dit sámen doen. Waar is hij, verdomme? 

Met lood in mijn schoenen loop ik richting een leeg tafeltje en terwijl mijn onderlip begint te trillen, haal ik mijn pen uit mijn tas en leg deze op tafel. Leon? Waar ben je?

Eén van de leraren krijgt de groep stil en begint te praten, maar ik hoor niet wat hij zegt. Ik kan me alleen maar zorgen maken om mijn lieve, lieve Leon. Waar zal hij toch zijn? 

Het wordt muisstil in de ruimte en vanuit mijn ooghoeken zie ik dat er blaadjes worden uitgedeeld. Als ik het voorblad voor me heb liggen, zie ik wel letters staan, maar het dringt niet tot me door wat er precies opstaat. Ik staar naar het examen, maar kan me niet bewegen. Ik kan me niet verroeren. Leon is nooit te laat, nooit. En zeker niet voor zoiets belangrijks als dit. Wat is er aan de hand? Mijn hoofd maakt overuren. 

‘Jullie mogen nu beginnen, heel veel succes,’ hoor ik. 

Als bevroren blijf ik naar het voorblad kijken. Ik beweeg niet, ik staar enkel voor me uit. De tranen in mijn ogen worden groter en ik moet flink slikken om ze weg te krijgen, maar ik voel de paniek in mijn lichaam groeien en steeds een beetje sterker worden. 

Leon. Mijn Leon. 

Dan ineens hoor ik achter me de deur van de gymzaal opengaan. Met een ruk draai ik me om en ik voel de opluchting met een schok door mijn lichaam gaan, zodra ik Leon zie staan. Hij is er.

Godzijdank, hij is er. 

Maar als ik goed naar zijn gezicht kijk, dan bekruipt me een akelig gevoel. Zijn normaal stralende ogen staan dof en lijken een stuk donkerder. Zijn eeuwige glimlach is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een gezichtsuitdrukking die me kippenvel bezorgd. Hij zou hier zelfverzekerd, doelgericht en met een grote glimlach moeten binnenkomen, maar zijn gezicht staat vol intens verdriet. Het is niet te missen. 

Ik zie dat hij fluisterend aangesproken wordt door een leraar en mee wordt genomen naar een lege plek. Zijn lichaamshouding verraadt plotselinge onzekerheid en ik vraag me af wat er in hemelsnaam gebeurd kan zijn. Wat is er in godsnaam met mijn Leon aan de hand is. 

Waarom kijkt hij me niet aan? Waarom zoekt hij me niet met zijn ogen, zoals ik dat altijd bij hem doe? Een geruststellend knikje, een kleine glimlach… Kom op, Leon. Ik heb het nodig. Ik móet weten dat het goed met je gaat. 

Maar ik krijg helemaal niets, ik ben nog geen blik voor hem waardig. 

Ik realiseer me dat er niet zomaar iets aan de hand is, maar iets ernstigs. Hij voelt ongetwijfeld dat ik me zorgen maak, dat moet. Onze telepathische band is zo sterk, daar kunnen we allebei niet omheen. 

Kijk me aan, Leon, kijk me aan. Je weet waar ik ben. Je moet mijn aanwezigheid voelen, het moet. 

Dan zie ik dat hij aan het tafeltje gaat zitten, een pen uit zijn tas haalt en zijn examen openslaat. Nou ja! Vindt hij dat examen belangrijker dan ik? Hij kan me toch wel eventjes een klein teken geven? 

Maar er gebeurt niets en ik blijf geschokt zitten. 

‘Leon,’ fluister ik. Geen reactie. Zit ik te ver weg? ‘Leon!’ probeer ik iets harder. 

Maar dan staat er ineens een leraar naast mijn tafel, die me streng aankijkt. Hij hoeft niets te zeggen, zijn blik zegt genoeg. Ik moet stil zijn. Met een zucht sla ik het examen open, terwijl ik tevergeefs nog één blik op Leon werp. 

Ik heb het examen volledig verknald, maar het maakt me niets uit. Ik moest en zou eerder klaar zijn dan Leon, want ik wil hem opwachten bij de uitgang van de school. Ik sta buiten in de fietsenstalling, onder een afdakje. Ik neem een trekje van mijn sigaret, terwijl ik de deur van de school geen seconde uit het oog verlies. Ik zie de ene na de andere klasgenoot voorbij komen, maar ik negeer ze, zoals ze mij ook stoïcijns negeren.

Dan ineens zie ik hem. Leon. Zijn grijs gemêleerde zomerjas hangt losjes over zijn schouders en zijn zwarte rugtas hangt over één schouder. Zijn blik is niets veranderd, nog steeds vol verdriet en ik gooi snel mijn sigaret op de grond, om hem vervolgens met mijn zwarte pump uit te drukken. 

‘Leon,’ roep ik hem toe. 

Nu hoort hij me wel. Langzaam draaien zijn ogen mijn kant op en ik zie de irritatie van zijn ogen afspatten, waarschijnlijk omdat het examen zo moeilijk was. 

‘Fenna, ik moet naar huis,’ mompelt hij. 

Ach, de arme schat. Hij voelt zich vast bezwaard om zijn verhaal bij me te doen. Hij wil me vast niet meeslepen in zijn emoties, omdat hij zoveel van me houdt. 

Ik sta op en loop naar hem toe.

‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik. 

‘Niks. Ik heb gewoon een rotdag. Laat me maar even.’

Ach, lieverd toch… dat gaat zomaar niet. Ik pak zijn bovenarm vast en voel zijn heerlijke spieren onder mijn vinger. 

‘Fenna, alsjeblieft, laat me even met rust,’ zegt hij. 

Er moet echt iets heel ergs aan de hand zijn. Het moet zo verschrikkelijk zijn, dat hij het lieve gebaar van zijn toekomstige vrouw afslaat.

‘Leon, vertel het me maar. Ik kan je misschien helpen,’ probeer ik. 

Dan draait Leon zich naar me om en hij kijkt me met grote, donkere ogen aan. ‘Fenna, ik wil je hulp niet. Ik heb het je al vaker gezegd, ik heb ruimte nodig.’

Nee, meent hij dit nou? Wil hij nu, op het moment dat hij zo verdrietig lijkt te zijn, zijn spelletje doorspelen? 

‘Leon…’ probeer ik, maar hij trekt zijn arm terug, waardoor mijn hand van hem afglijdt. Verbaasd kijk ik hem aan en ik zie enkel een kille en afstandelijke blik. 

‘Leon,’ probeer ik weer. Iets voorzichtiger nu. 

Hij reageert niet. Hij kijkt alleen en ik haal diep en haperend adem. Meent hij dit? Is dit een afwijzing? Wil hij niet bij elkaar zijn? Dat kan toch niet? We moeten altijd bij elkaar zijn, áltijd. Ook als het even niet zo goed gaat. We houden toch van elkaar? We zijn toch voor elkaar gemaakt? Dit kan niet, dit klopt van geen kant. 

Ik merk dat ik word overvallen door een enorme onzekerheid en mijn kwetsbare kant lijkt van me af te vallen. Automatisch schiet ik weer in mijn oude rol en ik vertrouw op mijn instinct. De combinatie van zijn verdriet, onze hechte band en zijn onwetendheid op dit moment, zorgt ervoor dat ik snel naar voren buig en mijn lippen hard op de zijne druk. Niks heeft gewerkt bij Leon om ervoor te zorgen dat hij me aanraakt, maar dit moet werken, toch? Hij kan me toch niet van zich afdrukken. Ik wil dit, en hij dus ook. Er gaat een golf van emotie door me heen als ik mijn handen op zijn wangen leg en mijn mond een beetje open, om zijn tong de ruimte te geven, maar tot mijn grote verbazing voel ik dat hij me met veel kracht wegduwt. 

‘Jezus, Fenna! Wat doe je?’ Hij lijkt oprecht verbaasd. 

‘Maar Leon, ik… we zijn toch samen?’ mompel ik overdonderd. 

‘Wij zijn niet samen, Fenna. We waren vrienden en het was gezellig. Maar ik heb je laatst al gezegd dat ik meer afstand nodig heb. Ik heb niet gezegd dat je dichterbij moest komen en me moest zoenen, verdomme!’

Met grote ogen kijk ik hem aan. Ik kan me niet bewegen. Wat gebeurt hier? 

‘Fenna, ik wil dit niet. Dit is geen vriendschap. Laat me met rust, voor altijd.’

Voor altijd? Wát? Maar we moeten trouwen, kinderen krijgen… Voor altijd samen zijn! Niet voor altijd weg gaan. Wat doe je nou, Leon? 

Maar ik kan geen woord uitbrengen. 

‘Ik ga nu weg en ik wil niks meer met je te maken hebben, duidelijk?’

Ik knik voorzichtig, meer om hem gerust te stellen dan wat anders. 

Dan loopt Leon bij me weg, mij alleen achterlatend. Wat? Hoe? Dit kan niet! Leon… Mijn Leon.  


Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)