Deel 1

‘Nou ja zeg!’ Verontwaardigd sta ik te kijken naar de grote plas met water op de grond. Mijn rode sokken zijn volledig doorweekt. 

‘Boooooo! Help!’ schreeuw ik naar mijn huisgenootje. 

Voorzichtig doe ik een stapje achteruit en ik kijk naar de vloer. Mijn blonde krullen vallen voor mijn ogen en ik doe gehaast een grote pluk achter mijn oren. Ik hoor de voetstappen van Bo in de gang. Ze kijkt om de hoek van de keuken en haar knalblauwe ogen worden ongeveer drie keer zo groot. 

‘Belletje… wat heb je nu weer gedaan?’ Verbaasd kijkt ze naar me op. Ik zie dat haar lichtblonde haren losjes bij elkaar gebonden zijn en dat er her en der losse plukjes uitkomen. Bo is twee dagen geleden naar de kapper geweest en daar heeft ze uiteindelijk de hele boel bij elkaar geschreeuwd, omdat de kapster haar hele kapsel heeft verpest. Dat is helemaal niet waar, haar nieuwe haar staat haar fantastisch, maar Bo is een neuroot. Een pietje precies. Typetje overgeorganiseerde secretaresse. Met haar nieuwe kapsel kan ze niet meer elk minuscuul haartje afzonderlijk in een staart krijgen en daar kan ze niet tegen. Knettergek wordt ze ervan. Dus, in haar beleving, is het verpest.

‘Wat ik nu weer heb gedaan?’  Beledigd kijk ik haar aan, alsof ik de enige in héél de wereld ben, die een minuscuul druppeltje water op de grond laat vallen. ‘Het enige wat ik wilde doen, was een boterham ontdooien in de magnetron. Dat was serieus het enige. Die magnetron is gewoon kapot. Hartstikke dood. Daar kan ik toch niets aan doen?’

Bo trekt een wenkbrauw op.

‘Lieve Isabel, dat de magnetron kuren heeft, dat is één ding. Maar je gaat mij toch niet vertellen dat dit enorme waterballet hier, veroorzaakt is door een kapotte magnetron… of wel?’

Enorme waterballet? Enorme waterballet? Nou zeg, dat valt toch ook nog best wel mee. Alleen de vloer in de keuken is nat. Nou ja, goed… misschien ligt er her en der een plasje water op het aanrecht… en op het gasfornuis. Big deal. 

Ik zie dat de ogen van Bo langs de keukenkastjes gaan. Oké, oké… misschien zitten daar ook her en der wat spettertjes. Maar een waterballet? Nee. Heus niet. 

‘Wat is er gebeurd, Isabel?’ Volgens mij is Bo expert in het doorboren van schedels. Met haar ogen, wel te verstaan. Haar blauwe kijkers kijken me zo indringend aan dat ik een beetje begin te stotteren. 

‘Ja… eh… die stomme magnetron deed het weer eens niet. Dus toen dacht ik... dan pak ik het broodrooster wel om brood te ontdooien.’ Ik kijk haar aan.

Afwachtend kijkt ze terug. Shit, ze wil meer horen. 

‘Nou ja… goed… toen wilde ik het broodrooster uit het kastje halen, dus ik doe dat kastje open en wat denk je? Nou? Flikkert toch het broodrooster uit het kastje, zodra ik hem open doe. Werkelijk! Recht op mijn kleine teen. Pijn dat het deed, joh. Wie zet dan ook dat broodrooster zó onlogisch neer?’ Ik voel mijn wangen rood worden. ‘Dus ik dacht maar één ding… koelen… zo snel mogelijk. Dus ik trek mijn voet omhoog, wil hem in de wasbak leggen en ik zet de kraan aan. En wat er toen gebeurde… nou, echt… alsof er een spook hier in huis woont. Heb jij dat ook wel eens? Dat je denkt dat we bezoek hebben? In elk geval gaat ineens die magnetron aan! Ik schrik me volledig de pleuris en struikel bijna. Met mijn ene voet in de wasbak en met de andere voet op de grond is het niet gemakkelijk om je evenwicht te behouden, als je zo schrikt, dat kan ik je wel vertellen! Maar goed, daardoor sla ik dus de pan met water van het gasfornuis af. En toen was alles nat. Kan gebeuren, toch…? Het belangrijkste is dat ik gezond ben! En dat ben ik!’ Ik tover een gemaakte glimlach op mijn gezicht en probeer zo onschuldig mogelijk te kijken. 

Ik zie hoe Bo me aankijkt en haar kille ogen veranderen. Ik zie haar mondhoek iets trillen. Ze doet haar best om haar lachen in te houden. Ik bijt op mijn lip en haal mijn schouders op. Het teken voor mijn lieve huisgenootje om in lachen uit te barsten.

‘Ik had je wel willen zien met je voet in de wasbak!’ Ze giert het uit.

Een paar minuten later is de keuken weer netjes. Bo staat in haar roze pyjamabroek en knaloranje voetbalshirt bij de waterkoker. Aan haar voeten heeft ze paarse sokken, met rode hartjes erop. Hoe gestructureerd ze ook mag zijn, kleren combineren is niet haar beste kant.  Er staan twee theekopjes klaar op het aanrecht. De oortjes van de kopjes wijzen naar rechts en de bijbehorende theezakjes liggen er kaarsrecht voor, alsof ze er een liniaal naast gehouden heeft.

Vanaf de bank sla ik haar gade. Zelfs in de bizarre outfit die ze draagt,  kan je zien wat een prachtige meid het is. Bo heeft als klein meisje aan ballet gedaan en dat zie je in al haar bewegingen terug. Elegant en gracieus manoeuvreert ze haar slanke lichaam door ons kleine keukentje. 

Ik trek mijn knieën naar mijn kin en nestel me op onze donkerbruine bank. Ik haal een elastiekje van mijn pols en met een snelle beweging maak ik een rommelige staart bovenop mijn hoofd. 

Bo komt eraan met de thee. Ze zet de kopjes thee exact tien centimeter (althans zo lijkt het) van de rand van de tafel af en legt de theezakjes er naast. 

‘Moet jij vandaag nog naar school?’ Ze kijkt me vragend aan. 

‘Ja… nou ja… ik moet nog even een aantal dingen vragen aan de docente bedrijfseconomie… Ik heb geen les of zo.’

Bo trekt één wenkbrauw op. Ik heb er een hekel aan als ze dat doet. Dat is een teken dat ze me door heeft. Ik voel mijn wangen rood worden. 

‘Alleen even wat vragen…?’ Haar stem klinkt zacht. ‘Jij gaat een kwartier door de regen fietsen om even iets te vragen? En dat kan niet via de mail?’

Mijn wangen zijn inmiddels knalrood. 

‘Ja. Goh… ik dacht… ik kan ook eventjes langs de Tap fietsen. Even kijken of er nog iets te beleven valt…’

‘De Tap’ is onze stamkroeg. Een klein, bruin cafeetje midden in het centrum. Ze maken een fenomenale mix van rode wodka en energiedrank en het is er simpelweg áltijd gezellig, of er nou vijf man of vijftig man zit. Dat het er altijd gezellig is, staat overigens volledig, maar dan ook écht volledig, los van het feit dat Joris daar de barman is. Joris is een aardige vent. Ja, een aardige vent. En daar blijft het dan ook bij. Hij is heus niet bijzonder knap… Hij is gewoon lang, heeft donker haar, wat speels voor zijn intens donkerbruine ogen valt. Zijn mond komt regelrecht uit een Calvin Klein reclame en zijn lichaam is precies zo gespierd, dat het niet macho is, maar gewoon mooi. Dwars door zijn zwarte werkshirt zie je regelmatig de contouren van zijn borst. Van zijn gespierde armen. Oh, als ik toch eens onder dat shirt kon kijken…

Maar het is vooral gewoon een aardige vent. Ja, dat is alles.

Ik kijk op naar mijn huisgenootje en zie dat ze me serieus aankijkt. 

‘Jij wilt even langs de Tap, op een dinsdagochtend? Ik weet niet eens of ze wel open zijn.’

‘Ja hoor,’ zeg ik net iets te snel. Ik weet écht niet de exacte openingstijden uit mijn hoofd, hoor. Echt niet. 

‘Isabel. Joris is slecht nieuws. Geen kerel voor jou. Zet hem nou eens uit je hoofd.’  

Bo mag Joris niet. Ze zegt altijd dat hij een vrouwenversierder is en elke vrouw, die ook maar een beetje interesse toont, mee neemt naar zijn huis.

Dat is helemaal niet waar. Ik heb zijn huis immers nog nooit gezien. 

Ik besluit om niet in te gaan op de opmerking van mijn huisgenootje en drink zwijgend mijn thee op, terwijl Bo spelletjes doet op haar telefoon.

Een kwartiertje later sta ik onder de douche. Ik laat het water als een warme waterval over mijn hoofd en rug gaan. Terwijl ik mijn haren was, gaan mijn gedachten naar Joris. Wat moet ik tegen hem zeggen als ik straks, op een dinsdagochtend, ineens voor zijn neus sta. Doe mij maar een wodka? Dan kan ik het net zo goed meteen opgeven. Maar wat kan ik dan wél zeggen?

Terwijl ik geniet van de warme douche, zoekt mijn hand naar de shampoo. Het is een nieuwe shampoo en hij ruikt heerlijk naar rozemarijn, mijn lievelingsgeur. Voorzichtig laat ik wat shampoo op mijn hand lopen en begin mijn haren grondig te wassen. De badkamer vult zich met een heerlijke geur, wat een ontspanning. Ik doe mijn ogen dicht en wil net de shampoo uit mijn haren spoelen, als er ineens ijskoud water uit de douchekop komt. Ik slaak een kreet en doe snel een stapje opzij. 

‘BOOOOOOO!!’ roep ik uit alle macht. ‘Blijf met je tengels van die kraan af!’ Voorzichtig voel ik of het water alweer wat warmer wordt, maar dit blijkt niet het geval. 

‘BOOOHOOO!’ roep ik nogmaals. 

Geen reactie. 

Vloekend en tierend zet ik de kraan uit. Ik sla mijn witte handdoek om mijn lichaam en stap de douche uit. Nadruppelend en met mijn haren vol met schuimende shampoo, doe ik de deur van de badkamer open. Ik loop de gang in, regelrecht naar de keuken. Geen Bo. Ik loop door naar de woonkamer en zie haar op de bank zitten, in nog precies dezelfde houding als tien minuten geleden. Haar ogen turen naar het schermpje van haar telefoon. 

‘Volgens mij hadden wij afgesproken dat we niet aan de kraan zouden zitten als er één van onder de douche staat,’ snauw ik.

Verbaasd kijkt Bo op. 

‘Ik heb helemaal niet aan de kraan gezeten,’ zegt ze verbaasd. Als vanzelf zie ik haar ogen naar de vloer gaan. Ze volgen de natte voetstappen, die ik achter heb gelaten in de gang. Ik zie dat ze zich aan het inhouden is. 

‘Je hebt zwarte strepen onder je ogen van de mascara, je hebt je haar vol schuim en je hebt een handdoek om, waar een bruine vlek ten hoogte van je tepel zit. Erg charmant belletje.’ Bo geeft me een knipoog. 

‘Ik bel wel even met de huisbaas waarom er geen warm water is, maar ik moet eerst echt even naar de wc! Ze staat op en trekt een sprintje naar het toilet. 

Nog geen twee seconden later gaat de deurbel. Verschrikt kijk ik op. Holy fuck. Moet ik open doen? Ik werp een snelle blik in de spiegel. Mijn mascara heeft ervoor gezorgd dat mijn wangen bijna helemaal zwart zijn, mijn haar ziet er inderdaad niet uit, met een flinke lading schuim erin en die handdoek is inderdaad wel eens schoner geweest. Maar goed, hoe erg kan het zijn? Het is vast alleen een postbode die even iets af komt geven of iets dergelijks. Niet zeuren, gewoon even open doen. Ik hef mijn hoofd en doe de deur open.

Dan ineens kijk ik midden in de intens bruine ogen van Joris. Joris van de kroeg. De Joris waar ik al maandenlang, vanuit een hoekje van de kroeg, naar zit te kijken en waar ik al maanden lang over droom. Die Joris. 

Ik knipper met mijn ogen. Dit kan niet kloppen. Joris die hier voor de deur staat? Heel eventjes begint mijn hart sneller te kloppen. Zou hij hier speciaal voor mij zijn? Zou hij hebben uitgezocht hoe ik heet, waar ik woon en zou hij me nu op komen halen om me ten huwelijk te vragen in exotisch land, waar Robert ten Brink momenteel één en ander aan het voorbereiden is? 

Ineens realiseer ik me hoe ik eruit zie en met een harde knal beland ik weer terug op aarde. Ik zie eruit als een door elkaar geprakte aardappel, met wat jus op mijn hoofd. Wel met een vleugje rozemarijn, maar toch. Op dat moment kan ik ter plekke door de grond heen zakken.

Met open mond gaap ik hem aan. Net op het moment dat ik me bedenk dat ik met open mond niet veel aantrekkelijker wordt, neemt Joris het woord. 

‘Hallo, ik ben Joris. Ik kom hiernaast wonen en vroeg me af of jullie een waterpas hebben, die ik even kan lenen… maar ik zie dat ik niet helemaal op het goede moment kom…’

Zijn ogen gaan langs mijn gezicht, langs de handdoek die ik krampachtig vast houd, helemaal tot aan mijn tenen, waar nog restjes knaloranje nagellak op zitten van het WK voetbal van twee maanden geleden, en weer terug. Dan kijkt hij naar mijn haar en trekt zijn neus op. Zijn ogen worden kleiner.

‘Ga jij altijd onder de douche vandaan, als je je haren nog niet uitgespoeld hebt?’ Er verschijnt een kleine twinkeling in zijn ogen en ik zweer het je, als ik niet met beide benen op de grond stond, was ik nu letterlijk voor hem op mijn knieën gegaan. 

Inmiddels heb ik nog geen woord gezegd. Ik kijk hem nog steeds aan met open mond en snel doe ik mijn mond dicht. Niet goed, Isabel. Niet goed.

‘Ik…. eh… ja… het water werd koud… en toen moest ik naar de WC met Bo. Ik bedoel… toen ging ik naar Bo en zij moest naar de WC. En toen ineens was jij er.’ Mijn wangen worden knalrood. 

Joris krijgt een glimlach van oor tot oor.  

‘En wie is Bo?’ vraagt hij vriendelijk. ‘Je chihuahua?’

Werkelijk. Hoe krijgt hij het voor elkaar om zelfs een woord als ‘chihuahua’ sexy te laten klinken?

‘Bo woont hier, bij mij. We wonen samen. Nou ja… niet helemaal samen. We wonen samen in één huis. We zijn dus huisgenootjes, zeg maar. Geen stel of zo.’ Ik zet de meest oogverblindende glimlach op die ik op dit moment voor elkaar kan toveren. 

Joris knikt bedachtzaam. ‘En hoe heet jij?’

‘Isabel,’ fluister ik zachtjes en ik kijk naar de grond. 

‘Goed… Isabel… hebben jullie een waterpas die ik kan lenen of zal ik je met rust laten?’

Ineens gaat de deur van het toilet open. 

‘Jezus Isabel, gatverdamme! Wil je de volgende keer even je ranzige remsporen weg halen als je de wc onder gescheten hebt? Dit is zó vies voor degene die na je komt.’

Oh mijn god.

Oh. Mijn. God.

Dan kijkt ze op, ze ziet Joris staan, ze ziet mij staan en kijkt vervolgens verschrikt naar haar oranje shirt. 

‘Oh fuck! Hallo Joris…’ stamelt ze voorzichtig. 

Verbaasd kijkt hij haar aan.

‘Hoe weet jij dat ik Joris heet…?’

Ik geloof… dat ik ga flauwvallen.


Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)