Deel 10

Mijn ogen zijn nog gesloten als ik ergens in de verte wat geluiden hoor. Ik trek het dekbed iets omhoog en nestel mijn gezicht nog even in het kussen. Ik ben moe.

Ik hoor de voordeur heel zachtjes dichtgaan en wacht totdat ik de, inmiddels bekende, geluiden hoor van Joris die zijn schoenen uitdoet en zijn jas ophangt.

In plaats daarvan hoor ik zijn voetstappen door de woonkamer gaan en ik trek mijn wenkbrauwen een beetje op, terwijl ik tegelijk mijn ogen open. Wat vreemd. Joris doet altijd zijn schoenen uit zodra hij thuiskomt.

‘Dan hoef ik minder vaak te stofzuigen.’ Ik hoor het hem zo zeggen.

Ik hoor hem rommelen in wat kastjes en ik blijf muisstil liggen. Ik ben benieuwd wat hij zo meteen gaan doen als hij de slaapkamer binnenkomt en denkt dat ik slaap… Zal hij me wakker maken? En hoe dan? Kussend? Of strelend?

De gedachte alleen al zorgt ervoor dat ik kippenvel vanaf mijn tenen tot aan mijn nek voel opkomen en ik adem zachtjes uit via mijn mond. Ik bijt even op mijn onderlip, ga op mijn zij liggen, met mijn rug naar de deur, en duw dan het dekbed iets naar beneden, zodat mijn blote schouder zichtbaar wordt. Het spaghettibandje van mijn negligé duw ik iets naar beneden, alsof het ‘per ongeluk’ van mijn schouder is gegleden.

Mannen hebben iets met blote schouders. Ik had ooit iets met een jongen die wild werd als ik een strapless topje droeg. Hij zei altijd dat hij gek was op schouders. De vorm, de manier van bewegen en het idee dat een topje zonder al te veel moeite naar beneden getrokken kon worden, vond hij ongelooflijk opwindend.

Ik hoor de deur van de slaapkamer langzaam opengaan en ik probeer mijn ademhaling te reguleren. ‘Doe alsof je slaapt,’ zeg ik in mijn hoofd tegen mezelf. Ik blijf muisstil liggen, terwijl mijn borstkas rustig op en neer gaat en mijn hart als een razende tekeer gaat.

Het wordt eventjes stil en ik stel me voor hoe hij in de deuropening staat en me bekijkt. Ik probeer niet te bewegen als ik hoor dat hij langzaam de slaapkamer binnenkomt en met voorzichtige passen mijn kant op komt. Het matras naast me zakt naar beneden door iets zwaars, wat moet betekenen dat hij op de bedrand is gaan zitten.

Ik ben blij dat ik met mijn rug naar hem toe lig, anders weet ik niet of ik het ‘schone slaapster spelletje’ door had kunnen zetten.

Hij legt zachtjes zijn hand op mijn onderarm en tot mijn verbazing voel ik dat hij zijn leren handschoenen nog aanheeft. Had hij zo’n haast om bij me te komen dat hij zelfs die niet uit heeft gedaan? Het is aandoenlijk en ik moet moeite doen om een glimlach te onderdrukken.

Ik voel zijn hand langzaam naar boven glijden, over mijn elleboog, over mijn bovenarm. Met uiterste souplesse en een perfecte druk gaat zijn hand langzaam verder naar boven, langs mijn schouder en vervolgens langs mijn nek. Het leer kriebelt langs mijn oorlelletje en ik houd onbewust eventjes mijn adem in, bij de gedachte aan zijn lippen op die plek, eerder vanavond.

Ik voel dat zijn hand naar voren glijdt, nog steeds langzaam en beheerst. Hij gaat zachtjes langs mijn kaaklijn.

‘Lekker slapen…’ fluistert een onbekende, zware stem met een Antilliaans accent.

Van schrik schieten mijn ogen open en met een ruk draai ik me om, om te zien wie er naast me zit.

Mijn ogen worden vier keer zo groot als ik in de duisternis een glimp opvang van een gestalte die op het bed zit. Brede schouders, omhuld in een zwarte leren jas en een ontzettend grote, zwarte capuchon. Zo groot, dat deze aan de zijkanten en aan de bovenkant van het gezicht zorgt voor een intens donkere schaduw, waardoor enige vorm van herkenning onmogelijk is. Hij draait zijn hoofd iets bij en ik kan beter zien waarmee ik te maken heb.

In het midden van zijn hoofd, waar normaal een deel van iemands gezicht zichtbaar moet zijn, zie ik een masker. Een glad, knalrood, van lakleer gemaakt masker, waar enkel twee gaten voor de ogen zijn uitgedrukt. Verder is het masker egaal. Zelfs nu, in de duisternis, springt de knalrode kleur eruit. Het is een angstaanjagend gezicht en ik voel mijn hele lichaam in een afweermodus schieten.

Van schrik sla ik de hand weg die eerder, zogenaamd liefkozend, mijn gezicht streelde. Ik deins achteruit, terwijl ik met mijn voeten bijna verstrikt raak in het dekbed, tegen het hoofdeinde van het bed aan. Mijn hart gaat gigantisch tekeer en mijn gezicht trekt samen, terwijl ik haperend naar adem snak.  

‘Wie ben je?’ schreeuw ik. Gil ik. ‘Ga wég!’ Ik schreeuw alsof mijn leven ervan afhangt, terwijl ik mijn handen beschermend een stukje voor mijn gezicht houd.

‘Niet bang zijn, meisje.’ Hij spreekt de woorden langzaam uit en ze klinken duister, terwijl hij overeind komt en met zijn knieën op het bed klimt. Alles in mij schreeuwt dat ik weg moet. Met een aanhoudende, haperende ademhaling manoeuvreer ik me langs de bedrand om uit het bed te komen.

‘Ga weg!’ schreeuw ik weer. ‘Wie ben je? Rot op! Laat me met rust!’ De angst raast door mijn lichaam. ‘Joris!’ schreeuw ik, hopende dat hij al in de buurt is en me hoort roepen. ‘Joris! Bo! Iemand! In godsnaam!’ Mijn stem klinkt schor en door de intense angst, komt er amper geluid uit mijn mond.

Mijn hele lichaam trilt en ik voel hoe een blote voet de grond raakt. Ik zie de man met het rode, glanzende masker nog op zijn knieën op het bed zitten.

‘Joris…’ herhaalt hij fluisterend. ‘Er komt niemand, schatje. Alleen ik. Kom maar…’ Het Antilliaanse accent komt weer duidelijk naar voren en de gedachte dat ik met deze angstaanjagende man mee moet, zorgt ervoor dat er een extra dosis adrenaline door mijn lijf gaat.

‘Nooit!’ schreeuw ik, terwijl er honderden gedachten door me heen schieten. Wat wil hij? Wie is hij? Wat moet hij? Waar is Joris? Wat moet ik doen?

Ik moet weg. Ik moet gewoon weg.

De voordeur, dat is de enige optie.

Als mijn andere voet ook de zachte, witte vloerbedekking raakt, zet ik me schrap. Mijn knieën knikken, terwijl ik probeer om omhoog te komen en ik voel een golf van duizeligheid door mijn hoofd gaan.

Nee, niet nu. Niet nu!

Terwijl ik rechtop ga staan, hoor ik een akelige, zware en bulderende lach.

‘Ik ga je geen pijn doen,’ zegt de man lachend. ‘Ik ga je bevrijden.’

Jezus, deze man is knettergek.

‘Ga weg!’ schreeuw ik nogmaals, terwijl ik wankelend een stap achteruit zet.

Ik moet langs het bed om bij de slaapkamerdeur te komen. Ik moet erlangs. Maar hij hoeft maar één arm uit te steken om me tegen te houden.

Hij legt een met leer beklede wijsvinger voor zijn mond.

‘St…' fluistert hij. ‘Niet zo schreeuwen, meisje.’ Hij is de rust zelve en juist doordat hij zo langzaam praat, word ik nog angstiger. Mijn hart klopt in mijn keel en ik kan mijn trillende handen bijna niet in toom houden.

Oké, Isabel. Nadenken. Nadenken.

Ik moet een sprintje trekken, ik kan niet anders, ik heb geen keuze.

‘Vechten heeft geen zin…’ fluistert de man. ‘Geen enkele zin…’

Als ik zie dat hij met één hand richting zijn jaszak gaat, grijp ik mijn kans. Zo snel als ik kan, sprint ik langs het bed en ik gooi de slaapkamerdeur open.

‘Godverdomme,’ hoor ik de man roepen. ‘Jij hoort zwak te zijn!’

Wat? Wat gebeurt hier?

Ik ren strompelend richting de voordeur, terwijl ik mijn best doe om rechtop te blijven staan.

‘Kom maar hier, je kan geen kant op.’ Ik hoor zijn voetstappen achter me. ‘Als je niet luistert, moet ik je komen halen,’ klinkt zijn stem bijna vrolijk. ‘En dat wil je niet.’

Mijn bloed raast als een malle door mijn lijf en ik zie de witte voordeur vlakbij. Hierachter is de portiek waar ik zó vaak doorheen gelopen ben, omdat het vlakbij mijn eigen huis is. Als ik daar schreeuw, dan moet iemand me horen, dat moet.

‘Isabehel…’ klinkt de zware stem van de man. ‘Je houdt jezelf voor de gek…’

Mijn duizeligheid wordt nog erger, maar ik ga door. Ik moet door.

Als mijn hand de klink van de voordeur aanraakt, voel ik dat mijn arm wordt vastgegrepen door de leren handschoen en ik word naar achteren getrokken.

Nee. Mijn ademhaling gaat zo snel, dat ik bijna hyperventileer.

‘Nee!’ schreeuw ik.

‘Ja…’ fluistert de stem, vlakbij mijn oor. ‘Ik heb je…’


Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)