Deel 4

Ik bestel carpaccio als voorgerecht en als hoofdgerecht heb ik lang zitten twijfelen tussen spareribs of gegrilde zalm. Hoewel ik snak naar een groot bord vol met spareribs, besef ik dat ik dit onmogelijk elegant op kan eten. Mij kennende zitten dan vanavond de stukken vlees tussen mijn tanden en de saus in mijn haar. Niet verstandig. Wijselijk besluit ik daarom om voor zalm te gaan. Wat kan daar nou fout aan gaan…? Niks toch?

Voorzichtig neem ik een slokje van de rode wijn, die Joris besteld heeft en ik trek een zuur gezicht. 

‘Niet lekker?’ vraagt Joris met een glimlach. 

Ik begin te lachen.

‘Om eerlijk te zijn lust ik helemaal geen rode wijn….’ 

Een beetje vreemd kijkt Joris me aan. ‘Jij lust geen rode wijn?’

Heb ik nou iets heel raars gezegd? Is het misschien ontzettend onvolwassen dat ik geen rode wijn lust? Vindt hij het storend dat vrouwen niet van rode wijn houden? Ziet hij ons al samen op een groot kleed in het park zitten? De zon hoog aan de hemel, onze kinderen die vrolijk om ons heen rennen, een grote picknickmand middenin met daarin een flesje wijn? Misschien denkt hij dat wel en valt nu zijn droom in duigen. Hoe ga ik dit tactisch brengen?

‘Het is niet mijn meest favoriete drankje, maar misschien moet ik het leren drinken.’ 

Joris legt zijn ellebogen op tafel en buigt voorover. Er valt een lok haar voor zijn ogen, maar het lijkt hem niet te deren. 

‘Waar hou je dan wel van?’ vraagt hij zachtjes. 

Zijn stem heeft een sexy, schorre ondertoon en mijn buik trekt samen. Van vlinders zijn geen sprake meer. Er zit een compleet vogelnest in mijn buik, die een wedstrijdje ‘wie kan het hardste fladderen’ doen. Ik voel dat ik kippenvel krijg en wrijf over mijn armen. 

‘Melk.’ Hoor ik mezelf zeggen. 

Melk. Serieus, Isabel? Mélk?! Bestaat er een drankje wat nog minder aantrekkelijk is? Ik sluit mijn ogen en trek mijn neus op. Waar haal ik toch, in godsnaam, al deze onzin vandaan? Ik wil net beginnen aan een ontzettend onsamenhangend verhaal om me hieruit te lullen, als ik ineens bruut uit mijn gedachten gerukt door een harde knal, achterin het restaurant. Ik hoor mensen gillen en kijk verschrikt op. 

Voordat ik besef wat er aan de hand is, zie ik dat Joris opstaat en een sprintje trekt. Binnen enkele seconden is hij ter plekke. Hij knielt, maar ik kan niet zien wat er gebeurt. Ik wurm mezelf onder de tafel weg en zo snel als mijn pumps me kunnen dragen, ren ik achter hem aan. 

Als ik aankom zie ik een oudere man, met stoel en al, op de grond liggen. De man lijkt buiten westen te zijn en Joris praat tegen hem. 

‘Meneer? Hoort u mij?’

Geen reactie.

‘Hoe heet hij?’ Joris kijkt de mensen aan die bij de oude man aan tafel zaten. Zijn ogen vliegen langs de geschrokken gezichten. Een vrouw van middelbare leeftijd heeft haar hand voor haar mond geslagen en kijkt angstig uit haar ogen.

‘Hugo,’ zegt ze zachtjes. 

Joris kijkt weer naar de man op de grond. 

‘Hugo! Hoor je mij?’

Op de muziek na is het in het restaurant doodstil. Alle ogen zijn gericht op Joris en de man die op de grond ligt. Joris draait zijn hoofd bij en buigt over de man heen. Dan legt hij zijn vingers op de pols van de man.

‘Hij ademt nog.’ Zijn stem is kortaf. ‘Ik voel ook een hartslag.’

Zijn ogen schieten schichtig van links naar rechts. Dan krijgt hij de ober in het vizier. De arme man staat met grote ogen van schrik te kijken. Een bord met dampend eten in zijn ene hand en een bakje salade in zijn andere hand. 

‘Wat sta je daar nou?’ roept Joris. ‘Bel verdomme een ambulance!’

De ober lijkt aan de grond genageld te staan, hij beweegt niet en kijkt mij geschokt aan. 

Dan word ik ineens wakker. Ik zie een mobiele telefoon op een tafel liggen en gris deze naar me toe. Ik bel 112, kniel naast Joris en kijk naar Hugo. Mijn stem trilt, als ik de alarmcentrale aan de telefoon krijg. 

Ik vertel zo rustig mogelijk wat er aan de hand is en waar we zijn. Ik heb het gevoel dat ik deze man moet beschermen, alsof het mijn bloedeigen opa is. Ik leg mijn vrije hand op zijn voorhoofd en strijk wat witte haren naar achteren. Ik aai de man voorzichtig. Als hij ons niet hoort, dan voelt hij misschien wel dat er iemand bij hem is. Als ik mijn hand weg trek, voel ik ineens iets vochtigs aan mijn vingers. Als vanzelf kijk ik naar mijn hand en zie een donkerrode vloeistof aan mijn hand. Met grote ogen kijk ik Joris aan. Hij kijkt me aan en geeft me een geruststellende knik. Ik draai de telefoon bij, zodat deze goed voor mijn mond zit. 

‘Mevrouw? Hij heeft een wond op zijn hoofd.’ Ik blijf verdacht rustig.

Joris kruipt naar de andere kant van de man en doet een poging om de hoofdwond te inspecteren. Ik hoor dat de telefoniste iets zegt, maar het dringt niet tot me door wat ze zegt. Alles lijkt in slow motion te gebeuren. 

Ik ontmoet Joris zijn ogen en bijna onzichtbaar schudt hij met zijn hoofd. Zijn ogen spreken boekdelen. Dit is niet goed. Er gaat een schok door mijn lichaam en ik buig me over Hugo heen. 

‘Hugo, de ambulance is onderweg. Het komt goed. Ze komen je helpen.’

Ik zie dat Joris een servet van een tafel grist en deze tegen het hoofd van Hugo aandrukt. Voor het eerst, sinds dit hele gebeuren, staan zijn ogen angstig. Hij weet niet wat hij moet doen. 

‘Zeg dat ze opschieten!’ Hij kijkt me recht in mijn ogen. 

Oh ja. Ik heb nog iemand aan de telefoon.

‘Opschieten,’ fluister ik in de telefoon. Ik kan geen normaal woord uitbrengen. Om ons heen is het inmiddels muisstil. De muziek is uitgezet en de gasten uit het restaurant staan, op gepaste afstand, verschrikt te kijken. De vrouw van middelbare leeftijd begint te snikken. Ik wil haar troosten, maar ik zou niet weten hoe ik dat moet doen. Ergens in de verte hoor ik de vrouw van de alarmcentrale. Ze stelt me vragen, maar er dringt niets tot me door.

Het lijkt een uur te duren, voordat we de sirenes van de ambulance in de verte horen aankomen. Een man, die ik nog niet eerder heb gezien, rent naar buiten en gaat op straat staan zwaaien. De ambulance komt tot stilstand op de stoep en twee mannen stappen de ambulance uit. Ze halen een brancard uit de wagen en gaan snel naar binnen. 

‘Wat is er gebeurd?’ vraagt de blonde ambulancebroeder. 

Ik wil antwoord geven, maar ik krijg geen woord uit mijn keel. 

Joris kijkt de ambulancebroeder aan. ‘Volgens mij is hij gevallen. Hij ademt nog.’

‘Bent u familie?’ vraagt hij. 

Joris schudt met zijn hoofd. ‘Ik ken hem niet.’

De vrouw van middelbare leeftijd doet een stap naar voren. 

‘Dit is mijn vader… is het… leeft hij nog?’

De andere ambulancebroeder heeft donker haar en bekijkt de hoofdwond. 

Hij knikt. 

‘Hij leeft nog, maar we gaan nu meteen met hem naar het ziekenhuis.’

De vrouw knikt, haar ogen staan wazig. 

‘U mag mee mevrouw.’

‘Is het… ik bedoel… gaat hij het halen?’ Ik knijp de woorden uit mijn keel. 

‘Ik denk dat het verstandig is dat we nu naar het ziekenhuis gaan.’ De blonde broeder geeft me geen antwoord op mijn vraag.

Binnen een paar seconden ligt Hugo op de brancard. Hij wordt met riemen vast gemaakt en vervolgens in de ambulance getild. Zijn dochter pakt de hand van Joris. 

‘Dankjewel,’ fluistert ze. 

Dan stapt ze ook in de ambulance, die bijna direct met gillende sirenes weg rijdt. 

Het is nog steeds volledig stil in het restaurant. Ik kijk de ambulance na en zodra deze om de hoek is, begin ik te trillen als een rietje. Ik kan niet meer ophouden. Mijn hele lichaam beeft. Dan biggelt er langzaam een traan over mijn wang. En nog één. En nog één. De spanning komt eruit. Mijn lichaam begint te schokken en ik laat me in een stoel zakken. Ik barst in tranen uit. 

Dan voel ik uit het niets twee warme handen op mijn wangen. Mijn tranen worden weg geveegd door de vingers. Ik open mijn ogen en zie dat Joris geknield voor me zit. 

‘Oh meissie toch…’ fluistert hij lief. Dan trekt hij me in zijn armen. 

‘Het is goed zo,’ fluistert hij in mijn oor. ‘We hebben gedaan wat we konden.’

Ik laat mijn tranen de vrije loop. Ik snuif zijn geur op en nestel mijn gezicht in zijn schouder. Mijn lichaam houdt niet op met schokken. 

Een paar seconden later hef ik langzaam mijn hoofd op. Ik zie het knappe gezicht van Joris vlakbij. Onze neuzen raken elkaar bijna aan en ik voel zijn ademhaling. Hij legt zijn hand op mijn wang en veegt een traan weg. 

‘Zelfs als je huilt ben je bloedmooi,’ zegt hij zachtjes. Zijn ogen stralen warmte uit. Ik voel dat ik warm word vanbinnen en mijn hoofd zit bomvol met gedachten. 

Niet nu. Dit kan niet. 

Dan drukt hij voorzichtig zijn lippen op mijn voorhoofd en geeft me een lange kus. Zijn hand glijdt van mijn wang, naar mijn trillende vingers. 

‘Kom,’ zegt hij. ‘Weg hier.’


Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)