Deel 6

Het felle zonlicht komt behoedzaam door mijn gordijnen. Heel voorzichtig open ik eerst één oog en dan mijn andere oog. Ik wrijf erin en krabbel langzaam overeind. Dan spreid ik mijn armen en rek me uit. Er komt een lichte hoofdpijn opzetten, maar het maakt me niets uit. Ik ben in een roes… In een waas.

Op mijn gezicht verschijnt een ‘ik-heb-een-topavond-gehad-en-gloei-nog-na glimlach’. Snel trek ik mijn pantoffels aan. Ik snak naar een grote, sterke kop koffie. Op mijn wekker zie ik dat het pas negen uur is.  

Zal Bo al wakker zijn?

Heel zachtjes open ik de deur van mijn slaapkamer en loop op mijn tenen naar de keuken. Terwijl ik nog een keer gaap, zet ik extra sterke koffie.

Mijn gedachten gaan terug naar gisteravond. Mijn geweldige, briljante, fantastische, supergezellige avond met Joris. Ik heb hem gezoend… ik heb met Joris gezoend! Stiekem wil ik een vreugdedansje doen, maar ik houd me in. Ik ben immers een volwassen, zelfverzekerde vrouw, die eraan gewend is dat de mannen om haar heen zwermen en haar volop aandacht geven.

Zo’n vrouw. Die doet geen vreugdedansjes op de vroege ochtend.

Voor mijn gevoel hebben we gisteren uren gedanst. Het was geweldig! Aansluitend hebben we nog, tot diep in de nacht, zitten kletsen op één van de grote loungebanken. Tot mijn grote verbazing bleek dat we meer gemeen hebben dan ik ooit had gedacht. We houden allebei van reizen naar exotische bestemmingen, van goede actiefilms, van het lezen van dikke boeken, hebben beide een hekel aan voetbal en we zijn allebei dol op koken. 

Daar is niets aan gelogen hoor, echt niet. Ik ben in Spanje én in Oostenrijk geweest. Harstikke exotisch. Ik vind actiefilms best wel grappig, als er een leuke acteur in speelt. Koken vind ik, oprecht, heel erg leuk. Ik kan er niets van, maar dat verandert niets aan het feit dat ik wel oké vind om te doen. Dat Bo meestal kookt, komt omdat ik er altijd een bende van maak. Tenminste, dat zegt zij. Het komt echt wel eens voor dat zij er niet is en dat ik dan een eitje bak. Dat is toch ook koken? Ik ben dol op eitjes, dus ik ben dol op koken. 

Joris en ik hebben zo veel gemeen. 

Ik pak mijn telefoon. Gisteravond hebben we bij het afscheid elkaars nummers opgeslagen. Hoewel ik zijn nummer natuurlijk allang in mijn telefoon had staan, die heb ik overgenomen van zijn visitekaartje…  Maar ik deed heel nonchalant, alsof ik er nog niet aan had gedacht om hem op te slaan.

Zal ik misschien al een berichtje hebben? Misschien heeft hij wel iets gestuurd in de trant van ‘Lieve Isabel… Jij bent de vrouw van mijn dromen, ik heb nog nooit iemand ontmoet zoals jij. Je bent geweldig! Wil je met me trouwen?’

En net op het moment dat ik dan denk: ‘Doet hij me nou een aanzoek via de app?’, dan gaat de bel. En daar staat Robert ten Brink met een volledig orkest. En dan staat Joris precies in het midden, compleet in smoking, met een gigantische bos rode rozen in zijn hand… Ja, dat zou best logisch zijn. 

Ik loop snel terug naar mijn kamer en pak mijn telefoon van het nachtkastje. Mijn hart klopt in mijn keel.

Oh. Geen berichten.

Nou, dat is vast een teken. Het zou toch wat zijn als ik, gekleed in mijn meest lelijke pyjama ooit, de deur open doe en dan Robert ten Brink zie staan? 

Douchen. Dat moet ik doen. Douchen en dan een outfit uitkiezen waarin ik er spectaculair uitzie. Maar dan wel een outfit die eruit ziet alsof ik deze ‘zomaar’ uit de kast heb getrokken, zonder erover na te denken. Officieel weet ik natuurlijk niet dat Robert ten Brink komt… 

Ik gris een handdoek uit mijn lade, maar bedenk me dat ik nog koffie heb. Voorzichtig laat ik mezelf op mijn bed zakken en sluit mijn ogen. Koffie, daar heb ik zin in. Ik neem een grote slok. 

TERING! Dat spul is gloeiend heet! Ik spuug de koffie meteen weer uit. Mijn pyjama, mijn bed, mijn vloer en zelfs mijn gloednieuwe, zandkleurig, suède pumps worden voorzien van een riante laag koffie. Mijn tong staat in brand! Fuck!

Ik wil mijn kopje koffie snel terug op mijn nachtkastje zetten, maar doe dit net een tikkeltje te hard. De koffie valt om. Mijn wekker is al aan het zwemmen en ik kijk verbouwereerd toe, hoe de vloeistof zich langzaam verspreidt naar de achterkant van het nachtkastje. Oh nee… niet erachter… Snel pak ik de handdoek van de grote stapel was naast mijn bed en reik naar het nachtkastje om hem schoon te maken. In mijn haast glijdt mijn voet weg, waardoor ik een flinke smak op de grond maak. Mijn hoofd komt met een knal op de punt van het nachtkastje terecht. 

Ik slaak een kreet. Dan voel ik hoe ik duizelig wordt. Het wordt zwart voor mijn ogen en ik wil alleen nog maar slapen.

 

‘Misschien moet je even normaal doen.’

‘Misschien moet jij zelf even normaal doen!’

‘Ik dóe normaal!’

‘Helemaal niet! Hoe haal je het in je hoofd om nu, in deze situatie, een haring te gaan eten? Wat moet dat kind wel niet denken van die geur?’

‘Dat kind heeft een naam gekregen toen ze geboren werd.’

Mijn god. Wat is dit?

‘Dat weet ik toch, ik heb haar er verdomme zelf uitgepoept! Jij… jij… soepkip!’

Stilte. 

Ik hoor een man gniffelen. 

‘Soepkip?’

Het is even stil. Dan hoor ik een man en een vrouw lachen. Wat is er in hemelsnaam aan de hand? 

 

Ik probeer mijn ogen open te doen, maar het lukt niet. Mijn hele hoofd lijkt op knappen te staan en ik ben doodmoe. Ik ben zó moe. Hou in godsnaam op met dat gelach…

‘We kunnen helaas op dit moment nog niets doen. We moeten afwachten totdat ze wakker wordt.’

‘Maar dat slaat toch nergens op? Heeft u daar nou tien jaar voor gestudeerd? Om mij te vertellen dat ik moet afwachten? Doe iets! Wat dan ook! Doe een scan, prik wat bloed, geef haar een pil, wat maakt het mij uit. Als ze maar wakker wordt!’

‘Mevrouw… ik begrijp dat dit voor u een moeilijk situatie is en ik wil u graag helpen, maar…’

‘U begrijpt er helemaal niets van! U weet verdomme helemaal niet hoe het voelt als je een kind hier hebt liggen. Heeft u überhaupt wel zelf kinderen?’

‘Ik denk niet dat het belangrijk is of ik wel of geen kinderen heb mevrouw, waar het om g…’

‘Natuurlijk heb jij geen kinderen! Jij hebt tien jaar lang alleen maar gewerkt en geleerd. Tijd voor een relatie had je niet. En wat hebben we eraan? Helemaal niets! Je kan nog niet eens mijn dochter wakker krijgen!’

‘Ik beloof u dat we doen wat kunnen mevrouw, maar…’

‘Ga alsjeblieft weg. En stuur een normale arts. Zo één met wit haar en een brilletje op zijn neus. Wat moet ik nou met jou? Hoe oud ben je? Halverwege de twintig? Ik wil een ervaren arts spreken. Nú!’

‘Ja… ik…’

‘Nou, wat sta je daar nou! GAAN!’

Ik hoor dat er iemand weg loopt. 

 

Jezus. Wat een geschreeuw. Is dat mijn moeder?  Ik probeer voorzichtig een oog open te doen. Dat lukt. Dan mijn andere oog. Jemig, wie heeft er lijm op mijn oogleden gesmeerd? En waar komt die ongelooflijke hoofdpijn vandaan? 

Voorzichtig knipper ik een paar keer met mijn ogen. Alles is wazig. 

In de verte zie ik een schim staan. Het beeld wordt langzaam scherper. Het is inderdaad mijn moeder. Ze staat met een knalrood hoofd driftig op haar telefoon te drukken. 

Ik kijk om me heen. Ergens achter mij hoor ik een monotoon piepje. Witte muren, witte kastjes, felle lampen. Ze doen pijn aan mijn ogen. Wie heeft het verzonnen om mijn kamer te gaan schilderen? 

Oh, wacht eens. Ik ben helemaal niet op mijn kamer. 

Maar waar ben ik dan? 

Mijn ogen gaan weer naar mijn moeder, die haar telefoon met een smak in haar tas gooit. Haar haren zitten in de war, haar make-up is uitgelopen. Haar spierwitte blouse is gekreukeld en hangt losjes over een knalroze broek. Ze loopt op blote voeten met perfect gemanicuurde teennagels. Naast een rode stoel staat een paar spierwitte pumps. 

‘Jezus mam, wat zie jij eruit.’ Mijn stem kraakt enorm. 

Mijn moeder maakt een sprongetje van schrik en kijkt me met grote ogen aan. 

‘Oh, lieverd, je bent wakker!’ Ze vliegt zowat naar me toe en buigt over me heen om me een knuffel te geven. 

‘Ja, natuurlijk ben ik wakker…’ Ik probeer om overeind te komen, maar mijn hele lichaam doet pijn. 

Mijn moeder kijkt op. Er staan tranen in haar ogen. 

‘Ik heb me zo’n zorgen gemaakt.’ Dan begint ze te huilen. 

Een beetje verbaasd knipper ik nog een paar keer met mijn ogen. Dan pak ik voorzichtig haar hand. Wat is er toch allemaal aan de hand?

‘Om wie?’ vraag ik voorzichtig. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Och schat toch! Je hebt toch geen geheugenverlies? Lieverd, ik ben het. Je moeder. Mama. Ma-ma!’ Ze praat tegen me alsof ik een peuter ben. 

‘Je bent gevallen. Ge-val-len! Met je hoofd op je nachtkastje. Hóóóóófd.’ Ze tikt op mijn voorhoofd. 

‘Mam, doe normaal, in godsnaam,’ mompel ik zachtjes.

Ze kijkt me verbaasd aan. 

‘Ik DOE normaal.’

Waar heb ik dat eerder gehoord?

‘Mam. Is papa hier geweest?’ Ik kijk haar vragend aan. 

‘Ja schat… papa is hier ook. Hij is even eten aan het halen. Je weet hoe hij is. Weet je waar hij vanmorgen mee aankwam?’

‘Een haring…?’ 

Verbaasd kijkt ze mij aan. ‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik hoorde jullie praten. Waarom mag papa geen haring eten?’

Mijn moeder schudt verwoed haar hoofd. 

‘Daar gaan we het nu helemaal niet over hebben. Jij bent belangrijk. Het allerbelangrijkste. Schat, ik ben zo terug. Ik ga een dokter halen.’ Ze wil weglopen.

Ik knik voorzichtig. 

‘Oh, mam?’

Ze draait zich om. 

‘Ja schat?’

‘Het mag ook een dokter zijn zonder wit haar en brilletje….’

Ik zie dat ze slikt. 

‘Ik kijk wel.’ Dan loopt ze weg. 

Even later zie ik dat mijn moeder weer binnenkomt. Ze sleurt een jonge dokter aan zijn arm mee. De ogen van de jonge dokter zijn zo groot als schoteltjes. Een beetje angstig bijna. Dan ziet hij mij. Ik glimlach voorzichtig en haal verontschuldigend mijn schouders op. Hopelijk begrijpt hij dat ik niets aan het gedrag van mijn moeder kan doen. 

‘Kijk eens aan, je bent wakker geworden.’ Hij buigt over me heen en schijnt met een lampje in mijn ogen. Heel irritant. 

‘Kan je mij vertellen hoe je heet?’ Hij kijkt me aan. 

‘Ze heet Isabel. Dat heb ik al verteld.’ Mijn moeder kijkt boos. 

De dokter haalt diep adem. ‘Dokter Deurwaarder’ staat er op zijn naamkaartje. Goh. Die man heeft het verkeerde beroep gekozen.  

‘En kan je mij ook vertellen welke dag het vandaag is?’

‘Het is zaterdag natuurlijk!’ Mijn moeder klinkt gepikeerd.  ‘Misschien moet je haar even onderzoeken in plaats van domme vragen te stellen.’

‘Dat probeer ik, mevrouw. Als u even uw mond zou willen houden?’ Hij draait zich weer om naar mij.

‘Isabel. Welke dag is het vandaag?’

‘Zaterdag.’

Ik hoor mijn moeder diep zuchten, maar ze houdt haar mond. 

Hij steekt drie vingers op. 

‘Hoeveel vingers steek ik op?’

‘Zes,’ pest ik. 

De ogen van mijn moeder worden groot en ze slaat haar hand voor haar mond.

‘Is ze blind, dokter?’

Ik begin te lachen. 

‘Drie natuurlijk. Er is niks met mij aan de hand. Ik voel me heel goed hoor, serieus!’ Ik veer overeind. 

Oh. Niet zo slim. Heel dom eigenlijk. Mijn hoofd lijkt uit elkaar te spatten. 

Snel laat ik me weer achterover in mijn kussen zakken. 

De dokter trekt een wenkbrauw op. 

‘Isabel is het toch?’ Hij geeft me een knipoog. Mijn moeder snuift. 

‘Ik wil graag nog even een paar onderzoeken doen. Ik denk dat het voor nu belangrijk is dat je even je rust neemt en wat gaat slapen. Dan word je over een paar uurtjes opgehaald. Is dat goed?’

Ik knik. 

Mijn moeder doet weer een stap naar voren. 

‘Ik zal tegen je vader zeggen dat hij vanavond terug moet komen.’ Haar stem klinkt beslist. 

‘Mam, ik zou hem graag even willen zien…’ Ik breng het voorzichtig. 

‘Je hebt de dokter gehoord! Die man heeft tien jaar gestudeerd en weet echt wel wat hij doet. Hij zegt dat je nu moet rusten, dus dat doe je dan ook.’

Dokter Deurwaarder kijkt me met een schuin oog aan. 

‘Haar vader mag er best even bij, maar dan is het misschien beter dat u even op de gang wacht. Gewoon… omdat teveel bezoek op dit moment nog niet goed is.’

Ik geef hem een dankbare glimlach. 

‘Prima,’ zegt mijn moeder kortaf. 

‘Ik zie je vanmiddag, Isabel.’ En weg is de dokter. 

 

Ik zit in de trein. De trein wiebelt en iemand, die vlakbij me zit, is aan het neuriën. Ik word er wakker van. Chagrijnig doe ik mijn ogen open. 

Verrek, joh. Het plafond beweegt. 

Oh ja. Ik zit niet in de trein. Ik ben in het ziekenhuis. Mijn bed wordt geduwd door een neuriënde verpleegster. Is zij wel goed wijs?

Ik kijk omhoog en een gezette dame, met een belachelijk vrolijk hoofd, kijkt me aan. 

‘Goejesmogges, jongedame!! Heppie lekker geslapuh, schat?’

Wat is dit voor figuur? 

Ik probeer beleefd te glimlachen en probeer mezelf iets omhoog te hijsen. 

Ho… dat wil niet. 

‘Blijf maar lekker ligguh, schat. De dokter gaat effe wat scannetjes doen, effe wat standaard onderzoekies doen, effe beetje aan je hoofd prutsen en zo. Niks aan hand. Ik blijf er gezellig bij!’

Even serieus. Moet dit? Ik knipper een paar keer met mijn ogen. 

De verpleegster neuriet vrolijk verder, terwijl ze met grote stappen door de gangen van het ziekenhuis gaat. Dan komen we bij twee grote klapdeuren. 

‘Sesam… Open u!’ buldert de verpleegster.

Ik heb niet eens meer de kracht om me eraan te ergeren. De deuren gaan open. 

We komen in een brede gang, waar aan de linkerkant allemaal dingen staan. Een soort sprieten, met af en toe een gekleurde bol erop. Op die bollen staan gezichten getekend. Dat zal wel kunst moeten voorstellen, of zo. Afgrijselijk. 

Voor ik het weet, duwt ze me een grote kamer binnen. 

‘Kijk es, we zijn er al, schat!’

Ik schrik. Ik zie een megagroot, spierwit bed met een soort grote donut eromheen. Is het de bedoeling dat ik door die donut ga?

‘Zoooooo!’ De verpleegkundige parkeert het bed waar ik in lig vlak naast de donut. ‘Ik zal me es effe voorstellen. Officieel heet ik Aurelia. Zo hebbe mijn ouders me genoemd, maar dat is wel de meeste lelijke naam ooit, toch? Dat moet je met me eens wezuh. Iedereen is dat met me eens! Dus jij mag me Laura noemen. Of Lautje, dat mag ook.’ Haar bulderende lach gaat weer door merg en been. 

‘Probeer maar es effe op te staan,’ zegt ze, als het bed op de rem staat. 

Voorzichtig kom ik overeind. Holy fuck. Dit gaat nog niet zo soepel. Het voelt alsof er een groep van honderd man staat te tapdansen op mijn hoofd. 

Op de een of andere manier lukt het me om op het grote witte bed te komen. 

‘We doen effe wat fotootjes, wat filmpies. Maar je hoeft niet te glimlachen hoor schat, er komt niets van op Facebook!’ 

Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. Misschien is ze toch wel oké.

Het duurt ongeveer drie kwartier,  voordat Laura me naar mijn kamer terug brengt. Inmiddels is ze niet meer aan het neuriën, maar volmondig aan het zingen. Het volledige repertoire van ‘The sound of music’ gaat aan me voorbij. Dat mens is echt niet goed wijs. Ik lig lachend in mijn bed. 

Als we op mijn kamer aankomen, zie ik Bo staan. Ze staat met haar neus boven de bos rode rozen. Ik kijk voorzichtig naar de verpleegkundige. Haar blik spreekt boekdelen. 

‘Meissie… het is geen bezoekuur, hè?’ zegt ze tegen mijn vriendin.  

Ik zie dat Bo haar met grote ogen aankijkt. Oh oh.

‘Ik ben haar beste vriendin… Ik kom alleen even haar telefoon brengen… ik ben zo weer weg.’

‘Och meissie, wat lief van jou! Wat een schat van een vriendin. Die meiden van jullie leeftijd kunnen tegenwoordig niet meer zonder telefoon, toch? Je moet je Facebook en Twitter en weet ik veel wat natuurlijk wel bijhouden. Je mag wel effe blijven hoor. Als er iemand aankomt, dan kruip je gewoon snel onder het bed. Maar zachies praten hoor! Er is een kreng aan het werk vandaag, die wil je echt niet tegen je hebben. Dus gewoon effe lekker zachies praten en dan is er niks aan hand.’

Ze geeft me een knipoog, terwijl ze mijn bed op de plek zet. 

‘Ik zal je nog effe wat te eten brengen, schat. Wat mot je?’

Ze overvalt me een beetje. Ik heb helemaal geen honger. 

‘Eh… maakt me niet zoveel uit…’ stamel ik. 

‘Ach, schat! Je praat een stuk duidelijker! Nou, dat is een pak van mijn hart. Ik dacht al bijna dat je je stem nog in je slaakamertjuh had ligguh. Ik zal eens even wat lekkers voor je regelen. Mot je ook een banaan?’

Ik glimlach en knik beleefd. ‘Graag. Dank je.’

Pontificaal draait ze zich om, terwijl ze weer verder gaat met haar muziekrepertoire.

Bo kijkt me stomverbaasd aan. 

‘Wat is dat voor type? Ik heb je moeder net gesproken. Ze vertelde dat je wakker was en dat het goed met je ging. Gaat het goed met je? Voel je je beter?’ Ze legt haar hand op mijn voorhoofd. ‘Mens, wat heb jij me laten schrikken! Je lag er echt bij als een dronken aap, maar dan met een hoofdwond. Ik schrok me de pleuris. Heb meteen een ambulance gebeld. Heb je hoofdpijn? Je vader zei dat je je telefoon graag wilde, die heb ik ook aan de telefoon gehad. Klopt dat? Ik dacht, ik kom meteen maar even, maar toen ik net die dikke trol zag, dacht ik even dat ik meteen weer weg moest. Ze is wel een beetje apart, hè? Van wie komen die rozen? ‘

Ik zucht diep. Als Bo nerveus is, gaat ze altijd heel snel en heel veel praten. 

‘Je hebt mijn telefoon, zei je?’

Ze graait in haar paarse tas met glitters. Een afgrijselijk ding wat eruit ziet als een toilettas. En dan heb ik hem in mijn hand. Mijn telefoon. Godzijdank. 

Snel zet ik hem aan. Ik wacht tot het logo van mijn telefoon in beeld komt. 

Niks. 

Nou ja zeg! De batterij is leeg! 

‘Godver!’ roep ik uit. 

Bo glimlacht. ‘Ik heb je oplader natuurlijk ook meegenomen…’

Godzijdank. 

Dankbaar kijk ik haar aan, terwijl ze mijn oplader uit haar lelijke tas vist. Ze steekt hem in het stopcontact en geeft hem aan mij.

‘Dus… hoe is het nu?’ Bo kijkt me vragend aan. 

‘Ik heb nog wel koppijn, maar verder gaat het stukken beter. Ik moest zojuist door zo’n apparaat en zal straks wel de uitslag krijgen. Het zal wel meevallen…’

Bo zucht, ze is zichtbaar opgelucht. 

‘Nou, ik kreeg zowat een beroerte toen ik je zag liggen… weet je nog wat er gebeurd is?’

Ik denk even na. Beelden over Robert ten Brink flitsen wederom door mijn hoofd.

‘Volgens mij viel mijn koffie… en dat wilde ik opruimen…’

‘En dan val je met je hoofd precies op de punt van het nachtkastje?’ Bo kijkt me vragend aan en er verschijnt een glimlach op haar gezicht. ‘Mijn god, wat ben je toch ook een kluns!’ 

Even kijk ik haar verbaasd aan. Wat is hier zo grappig aan? Maar ja… eigenlijk heeft ze wel gelijk... Dan kan ik het niet meer houden en lach ik hardop met haar mee. 

‘Zo, meissie. Ik heb een lekker boterhammutje voor je!’

Laura komt met een groot dienblad de kamer ingelopen. Ze zet deze voor me neer en kijkt me aan. 

‘Hoe is het, schat? Ik heb een toetje voor je gejat. Niet tegen iemand zegguh, hoor! Je begrijpt dat dit niet de bedoeling is.’

Ik zie een dienblad vol met eten. Vier boterhammen, boter, kaas, ham, chocoladepasta, pindakaas, een toetje met een minuscuul plastic lepeltje. Verder nog een groot glas melk en een groot glas met doorzichtig,  oranje spul, wat wellicht als een soort sinaasappelsap moet doorgaan. 

Moet ik dat allemaal opeten?

‘Kijk niet zo verbaasd. Mijn oma zei vroeger altijd. Je moet goed eten! Nou, dat heb ik gedaan hoor, schat. Mijn vetribbels zijn er en ik ben er trots op ook! Ik heb goed te eten gehad. Die kleine kindekkes in Afrika zulleh er een moord voor doen! Heppie ook honger?’

Ze kijkt me zo stralend aan, dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om haar te zeggen dat ik eigenlijk echt geen honger heb. 

‘Dankjewel. Heerlijk,’ zeg ik daarom beleefd. 

Laura draait zich om. Haar buik wiebelt bij elke beweging die ze maakt. Ze kijkt naar Bo. 

‘Zo, schat, tijd voor jou om naar je huissie te gaan. Isabel moet echt even rusten nog. Vanavond is er weer bezoekuur, kom je dan nog effies je vriendinnetje bekijken? Geen foto’s van haar op internet zetten hoor. ’t Arme kind ziet er niet uit! Dan jaag je alle mannen weg!’

Bo glimlacht, pakt haar tas en geeft me snel een kus op mijn wang. 

‘Beterschap en tot snel!’ fluistert ze. Dan draait ze zich om en loopt ze richting de deur. Daar draait ze zich nog even om, trekt haar wenkbrauwen op en geeft me de ‘dat-mens-is-echt-niet-goed-wijs’ blik. Ik haal mijn schouders op en glimlach voorzichtig. 

Laura volgt Bo naar de deur. 

‘Lekker etuh, meissie! Tot strakkies!’

En dan is het ineens stil in mijn slaapkamer. Ik kijk naar het dienblad, maar moet echt nog even niet denken aan eten. Wel moet ik heel nodig naar het toilet, maar dat kan wachten. Snel pak ik mijn telefoon en kijk op het scherm. Hij is opgestart.

U heeft 8 nieuwe berichten. 

Wahoeeee! Daar moet er toch één van Joris bijzitten?

De eerste is van mijn moeder

Mama: ‘Lieverd. Ik had Bo net aan de lijn, ze komt je telefoon brengen. Stuur je me even een berichtje als je dit leest? Liefs, mama.’

Echt, die moeder van mij…

De tweede, derde en vierde zijn beterschap wensen van vrienden en familie. Saai. De laatste vier zijn allemaal van Joris. Snel open ik de berichtjes. 

‘Was gezellig gisteravond. Spreek je snel weer.’

‘Weet jij waarom er een ambulance voor de deur staat?’

‘Ik spreek net Bo! Wat is er in godsnaam met je gebeurd?’

‘Vanmiddag kom ik bij je op bezoek. In de tussentijd zal ik wat van me laten horen... Ik ben er tegen 16.00u. x’

 

Oh god. 


Ik plaats wekelijks nieuwe delen! Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)