Deel 7

Hij komt vanmiddag langs! Om vier uur. Oké, oké. Tijd zat.

Snel kijk ik hoe laat het is. Het is tien voor vier.

Oh nee, toch. Oh nee, nee, nee, nee, nee!

Mijn hart begint sneller te slaan. Fuck, fuck, fuck. 

Ik kijk naar beneden. Ik heb nog steeds mijn meest afgrijselijke pyjama ooit aan. Dit ga je niet menen. Dit ga je écht niet menen. 

Oh shit. Nu moet ik naar het toilet. Red ik dat nog? Zal daar een spiegel zijn? 

Ik besluit het erop te wagen. Heel voorzichtig druk ik mezelf overeind. 

Hooo. Duizelig. 

Doorzetten, Isabel. Stel je niet zo aan. 

Ik draai me om in mijn bed, totdat ik op de bedrand zit. Langzaam ebt de duizeligheid weg. 

Zie je wel, ik voel me prima!

Heel voorzichtig laat ik me van de bedrand afglijden. Mijn blote voeten raken de ijskoude vloer. Au, mijn hoofd doet pijn. 

Dan loop ik, voorzichtig, richting de deur van het toilet. Ik schuifel een beetje en merk dat ik mijn best moet doen om mijn evenwicht te bewaren. Mijn, veel te korte, oranje pyjamabroek danst om mijn kuiten. 

Voorzichtig open ik de deur van het toilet en loop naar binnen. Snel draai ik de deur op slot. 

Eerst plassen. Ik moet echt plassen. Als ik klaar ben, loop ik langzaam naar de spiegel. Ik knijp mijn ogen dicht en doe dan voorzichtig één oog open. 

Oh nee. Ik geloof niet dat ik er ooit zó beroerd uit heb gezien. Een lijkbleek, make-up loos wezen, met een verband om haar hoofd, staart me met glazige ogen aan. En zie ik daar nou een mega puist op mijn kin verschijnen? 

Dit ga je niet menen. Dit ga je echt niet menen. 

Ik geef mezelf een paar kleine tikjes op mijn wangen, hopend dat er wat kleur op komt. 

Met wat water probeer ik voorzichtig om mijn haar iets te modelleren, maar het maakt niets uit. Het verband is er door de verpleging zo debiel omheen gedaan, dat ik geen schijn van kans heb. Het zit me niet mee.

Ik wil de kraan weer dicht draaien, maar in plaats van dat er minder water komt, spettert het alle kanten op. Ik slaak een kreet en doe een stap achteruit. 

Hoooo. Duizelig. 

Dan krijg ik het voor elkaar om de kraan dicht te draaien. Ik werp nog een blik in de spiegel. 

Er zit water op mijn shirt, precies op mijn borst. Het ziet eruit alsof ik borstvoeding aan het geven ben, maar gigantisch aan het lekken ben. Nu moet ik zorgen dat ik snel terug naar bed kom, zodat ik het kan bedekken met de deken. En dan maar hopen dat Joris ontzettend last heeft van zijn ogen. Of dat er stroomuitval is. Ja, dat zou mooi zijn. Dan zijn alle lampen uit, is alles donker… Dat zou echt perfect zijn. Hoe kan ik dat regelen?

Dan hoor ik dat iemand mijn naam roept. Het is onmiskenbaar… het is Joris. Ik kijk naar mijn slaapshirt. Een geel, verwassen vogeltje, met een grote watervlek, kijkt me moedeloos aan. 

‘Gaat alles goed, Isabel?’ Joris’ stem klinkt ineens verrekte dicht bij de deur. 

Oh. Mijn. God. 

‘Ja!’ Mijn stem trilt. ‘Alles is goed!’

Kut. Kut. Kut. Er is geen andere oplossing. Ik moet naar buiten. Ik moet Joris op deze manier onder ogen zien te komen. 

Ik haal diep adem en schuifel naar de deur. Mijn handen gaan naar het slot. 

Durf ik dit? 

Nee. 

Heb ik een keuze?

Nee. Fuck.

Ik probeer het slot om te draaien, maar er gebeurt niets. 

Een beetje verbaasd kijk ik naar de deur. Dan probeer ik het nog een keer. Het slot draait niet mee. Wat is dit nou weer? Ik zet meer kracht, maar hij draait geen millimeter mee. 

‘Wat is er?’ klinkt de stem van Joris. 

Met alle kracht probeer ik het slot om te draaien, maar hij zit muurvast. 

‘Ik krijg de deur niet van het slot.’ Mijn stem klinkt zachtjes. Wat is dit erg. 

‘Wat zeg je?’ Zijn stem klinkt bezorgd. 

‘Ik krijg de deur niet van het slot!’ Ik roep wat harder dit keer. 

Dan is het even stil. 

‘Ik haal iemand op!’

‘NEE!’ Ik schreeuw het zowat uit. ‘Ik bedoel: dat is niet nodig. Wacht maar even.’ Mijn stem trilt. 

Met twee handen ben ik aan het slot aan het friemelen. De hoofdpijn en duizeligheid worden erger. 

‘Godver!’ roep ik dan. 

‘Ik haal iemand op!’ Ik hoor dat Joris weg loopt. 

Dit kan je echt niet menen. Ik zucht diep. 

Het duurt een paar minuten, voordat ik de stem van een verpleegster hoor.

‘Isabel? Er komt iemand aan hoor! We gaan je helpen! Gaat het goed?’

Nee. Natuurlijk gaat het niet goed. Ik zit hier met een te korte, oranje pyjamabroek, een verwassen T-shirt met een vogel én een watervlek. Oh… en een kapsel als een vogelnest, terwijl de lekkerste kerel van heel Nederland buiten op me aan het wachten is. Wat denk je zelf?

‘Ja! Het gaat!’ piep ik. 

Dan hoor ik dat er iemand aan het slot aan het pieren is. Heel langzaam zie ik het slot aan de binnenkant draaien. 

Godzijdank!

De deur zwaait open. Een bezorgde verpleegster kijkt me aan. Voorzichtig doe ik een stap naar voren…

De ogen van Joris gaan van mijn voeten naar mijn haar en weer terug. Hij bijt op zijn lip om niet in lachen uit te barsten. 

‘Dag schoonheid.’

Ik kan wel door de grond zakken. Wat is dit verschrikkelijk. Joris staart me met een ondeugende blik in zijn ogen aan. 

‘Wat heb jij toch met toiletten?’ Hij doet zijn best om zijn lachen in te houden. 

Ik weet zeker dat ik inmiddels minstens zo rood ben als de club waar we geweest waren. Gelukkig houdt hij van rood, dat scheelt dan weer. 

De verpleegkundige ratelt ergens in de verte dat ik helemaal nog niet alleen naar het toilet mag gaan, maar ik krijg de helft niet mee. Ze pakt mijn ene arm en Joris pakt mijn andere arm. Dan helpen ze me terug naar mijn bed. 

Als ik weer lig en mijn afgrijselijke pyjama bedekt wordt door de warme deken, haal ik diep adem. De verpleegster preekt tegen Joris dat hij absoluut maar enkele minuutjes mag blijven. Ik moet mijn rust houden en bovendien komt straks de dokter met de uitslag. Haar ogen zijn rood van woede. Dit kon wel eens ‘het kreng’ zijn waar Laura het over had. 

Als ze uitgepreekt is, verlaat ze de kamer. 

Mijn ogen glijden af naar de bos rozen. Ik zie dat Joris er ook naar kijkt. 

‘Lief. Dank je…’ zeg ik zachtjes. 

‘Graag gedaan.’ Joris glimlacht. ‘Dus... Jij dacht: Die date met Joris was zo verschrikkelijk, ik gooi mezelf tegen mijn nachtkastje?’ zegt hij, terwijl hij me onderzoekend en met een verpakte glimlach aankijkt.

Ik begin te lachen. Mijn hoofd doet pijn en ik ben enorm duizelig, maar ik ben zo blij dat Joris bij me is… Zelfs in deze outfit. Ik voel dat ik beetje bij beetje rustiger wordt. 

‘Niet letten op hoe ik eruit zie hoor. Ik moest nog douchen en zo…’

Joris, die er uiteraard onberispelijk uitziet in zijn kaki broek en zwarte overhemd, kijkt me aan alsof hij water ziet branden. 

‘Waar heb je het over?’

Ik trek een wenkbrauw op. 

‘Ik heb er wel eens charmanter uitgezien.’

Zijn ogen lijken te veranderen. Ze worden kil. Hard. Ik schrik er bijna van. 

‘Je bent prachtig, precies zoals je bent.’

Hij kijkt zo dreigend, ik durf er niet eens tegen in te gaan. 

‘Ik wil dat je uiterlijk morgen thuis bent. Dit is geen goede omgeving voor je.’

Pardon? Hij maakt vast een grapje. 

‘Ik zal het aan de dokter doorgeven,’ probeer ik op grappige toon te zeggen, maar het komt er ietwat trillend uit. 

‘Anders ga ik zelf wel met de dokter praten.’ Zijn ogen zijn bijna zwart, zo boos kijkt hij. 

Wat is dit? Ik haal langzaam mijn schouders op en kijk hem een beetje vreemd aan. Wat wil hij nou zeggen?

Dan ineens lijkt het alsof hij wakker geschud wordt. Hij trilt en heft zijn hoofd op. Zijn ogen beginnen meteen weer te stralen en zijn blik verandert weer naar de Joris die ik, een heel klein beetje, ken.

‘Komt wel goed, schatje,’ zegt hij. Ik krijg weer de ‘slow motion knipoog’. 

Ik laat langzaam mijn adem ontsnappen en realiseer me dat ik die al even aan het inhouden was. 

‘Mooie meiden zoals jij horen niet in een ziekenhuis. Jij hoort in een mooi bed, met zachte dekens en een zacht kussen.’ Hij kijkt naar het dienblad vol met onaangeroerd eten. ‘En met een uitmuntende maaltijd.’

Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Erg lief van hem, maar zo werkt het natuurlijk niet. 

‘Luister, ik moet vanavond werken, daarom ben ik zo vroeg.’

‘Oké…’ Ik fluister. 

‘Ik wil je wat vragen…’ Hij komt langzaam dichterbij. 

JA! Nú gaat hij me het aanzoek doen. Nu gaat het gebeuren! Waar is Robert ten Brink? Waar is die man als je hem nodig hebt? 

Hoopvol kijk ik hem aan. Ik maak mijn ogen zo groot mogelijk en tuit mijn lippen een klein beetje, in de hoop om er nog enigszins aantrekkelijk uit te zien. Hoogstwaarschijnlijk zie ik er nu nog belachelijker uit. 

‘Wat wilde je vragen?’ Ik krijg de woorden bijna niet uit mijn mond. 

‘Ik wilde vragen of je misschien bij mij wilt komen logeren… Gewoon, totdat je beter bent.’

Ik knipper een paar keer met mijn ogen. Dit had ik niet verwacht. 

Ja! Ja! Ja! Schreeuwt het stemmetje in mijn hoofd. 

Nee, Isabel. Rustig blijven. Play hard to get. 

‘Nou… Ik denk niet dat dat handig is. Jij zit immers midden in een verbouwing…’ Klinkt dat overtuigend? Jawel toch?

‘Ik regel wel wat jongens die komen helpen, dan is de boel morgen klaar.’

Wat? Meent hij dit serieus?

‘Heel lief van je, maar ik denk dat ik het beste in mijn eigen bed kan herstellen. Bo kan voor me zorgen… en mijn ouders natuurlijk…’

Joris laat zijn kin iets zakken. Met zijn ogen kijkt hij me indringend aan. 

‘Niemand kan zo goed voor je zorgen als ik.’

Ik krijg kippenvel van de blik in zijn ogen. Er valt een ijzingwekkende stilte. 

‘Ik zal erover nadenken…’ pers ik eruit. 

Wat is hier in hemelsnaam aan de hand?

‘Doe dat. Ik zal ondertussen een dokter zoeken.’

Joris staat op.  Gaat hij nou serieus een dokter zoeken? Dat hoeft hij toch helemaal niet te doen? De verpleegkundige zei net nog dat de dokter er elk moment kan zijn. 

‘Dat hoeft niet, joh!’ roep ik uit. 

Met een ruk draait Joris zich om en zet twee stappen in mijn richting. 

‘Ja, dat moet wel. Ik kan het niet verdragen om je hier zo te zien liggen.’

Dan buigt hij naar voren en geeft me een kus op mijn voorhoofd. 

‘Ik ben zo terug.’ Hij loopt weg, mij verbouwereerd achterlatend. 

Ik lig doodstil in mijn bed en kijk om me heen. Is dit nou werkelijk net gebeurd? Waar slaat dit op? 

Op de gang hoor ik stemmen. Ik til mijn hoofd iets op en knijp mijn ogen samen. Shit. Ik versta er niets van. Ik herken bovendien niet eens een stem. 

Ik ga weer liggen en sluit mijn ogen. Wat maakt het mij ook allemaal uit. Ik voel me moe worden en trek mijn deken tot aan mijn kin omhoog. 

Er gaan een aantal minuten voorbij en voor ik het weet, ben ik diep in slaap.

Als ik wakker word, is het pikkedonker in mijn kamer. Mijn hoofd doet pijn. Voorzichtig krabbel ik iets overeind. Ik ga met mijn tong langs mijn lippen, heb een ontzettend vieze smaak in mijn mond en dorst. 

Ik laat mijn ogen wennen aan het donker en kijk om me heen. Het dienblad met eten is weg, de gordijnen voor mijn raam zijn dicht. Met mijn hand zoek ik naar mijn telefoon. Die zou hier ergens op mijn nachtkastje moeten liggen… Ja! Daar is hij! Ik trek de oplader los en haal de telefoon naar me toe. Als ik hem aanzet, doet het licht pijn aan mijn ogen. Ik zie dat ik een bericht heb van Joris.

 

‘Je was in slaap gevallen. Ik heb tegen de verpleging gezegd dat ze je moeten laten slapen. Dokter gesproken. Morgenvroeg haal ik je op en ga je met me mee naar huis. Huis komt in orde. Slaap lekker, meisje.’

 

Ik lees het bericht drie keer opnieuw. Ik begrijp er niets van. Wat zou de dokter gezegd hebben? Zouden mijn ouders niet nog langs komen vanavond? Ik ga écht niet met hem mee naar huis. Niet nu. Hoewel mijn ingeving totaal anders was.  

Dan pas kijk ik naar de tijd. Het is drie uur ’s nachts. Ik ben stomverbaasd. 

Uit mijn ooghoek zie ik het knopje waarmee ik de zuster kan laten komen. Zal ik…? 

Ik besluit om het gewoon te doen. Iemand moet me toch uitleggen wat er gebeurd is? Ik druk op het knopje en laat mijn hoofd weer in mijn kussen zakken. 

Enkele minuten later gaat zachtjes mijn deur open. Een blonde verpleegster met vriendelijke, helblauwe ogen kijkt me aan. 

‘Gaat alles goed met je?’ vraagt ze zachtjes. 

Waarom fluistert ze? Ik lig hier toch alleen in een kamer? Ik kijk om me heen en zie ineens dat er een tweede bed in de kamer staat. Ik zie de contouren van een lichaam, één grote bobbel en hoor een zware ademhaling. Ah, ik heb een kamergenoot gekregen.

‘Ja… Ik vroeg me alleen of ik misschien een glaasje water mag?’ Mijn stem kraakt. 

De verpleegster loopt naar de kraan en vult een glas met water. 

‘Natuurlijk. Alsjeblieft.’ Ze geeft me het glas en ik pak het dankbaar aan. Het koude water voelt heerlijk en ik drink het glas in één teug leeg. 

‘Klopt het dat ik morgen naar huis mag?’

De verpleegster glimlacht. 

‘Dat klopt inderdaad. De dokter heeft geen afwijkingen kunnen constateren. Je hebt waarschijnlijk een flinke klap gemaakt en daardoor een hersenschudding, maar dat komt wel weer goed. Je vriend gaf aan dat hij je graag zelf op wilde komen halen.’

Mijn vriend? 

De verpleegster moet lachen om mijn verbaasde gezichtsuitdrukking. 

‘Je hoeft niet te schrikken hoor! Een hersenschudding gaat wel weer over. Je moet alleen zorgen dat je voldoende rust neemt. Je vriend heeft ons gegarandeerd dat dat in orde komt.’

Ze zegt het weer. Mijn vriend.  Was het maar zo’n feest… 

‘Probeer nog maar even te slapen, morgen heb je je energie wel nodig.’ Ze pakt mijn lege glas en neemt het mee naar buiten. 

‘Welterusten,’ fluistert ze nog zachtjes. 

Ik laat mijn hoofd weer in mijn kussen zakken. Kan een mens zoveel hoofdpijn hebben? Bijna meteen val ik weer in slaap.

‘Gooooedeeeemorrrguuuhhh!’ De stem van Laura gaat als een sirene door de kamer heen. Als ik niet al hoofdpijn had, dan had ik het nu wel gekregen. 

‘Lekker geslapuh hiero? Joeeehoeee! Wakker worden! Isabel, schat, je mag naar huis vandaag!! Wat een heeeeeeeerlijkheid, toch?’

Ohhhh… dit ga je niet menen. Hier is het veel, heel veel, te vroeg voor. 

Ik zie dat de bobbel in het andere bed langzaam in beweging komt.  

‘En meneer ten Dam. Lekkur geslapuh?? Ik kom een ontbijtje brengen! Begin de dag goed, zeg ik altijd maar!!’

Met veel bombarie brengt ze een dienblad naar me toe. Vervolgens loopt ze terug naar een karretje vol met dienbladen en brengt er één naar de bobbel. 

Ik hoor een kreun vanuit het bed en dan zie ik dat de bobbel een hoofd heeft. Een hoofd met grijs haar. En met net zo’n mooi verbandje als dat ik heb.

Langzaam komt hij overeind en ik zie twee armen verschijnen. Dan draait hij zich langzaam en zijn ogen vinden de mijne.

Ik schrik als ik zijn gezicht zie en mijn mond valt open van verbazing. Dan houd ik eventjes mijn adem in.

‘Hugo…’ fluister ik.

Verbaasd kijkt de man me aan. Zijn ogen zijn net zo grijs als zijn haren en zijn gezicht vertoont duidelijke tekenen van ouderdom.

‘Hoe weet jij dat ik Hugo heet?’


Ik plaats wekelijks nieuwe delen. Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)