Deel 8

Vanuit mijn ziekenhuisbed kijk ik Hugo aan. Natuurlijk weet hij niet wie ik ben. Hij heeft mij niet gezien in het restaurant, hij lag op de grond.

‘Ik heb je gezien in het restaurant en je geholpen. Hoe is het met je?’ 

Twee blauwe ogen kijken me vanonder een verband aan. Zijn ogen staan angstig en vol wantrouwen.  

‘Heb je gezien wie me geslagen heeft?’ vraagt hij met een zachte stem. 

‘Geslagen? Hoe bedoel je geslagen?’ zeg ik. Die man is de weg echt volledig kwijt. ‘Je bent niet geslagen. Je bent gevallen… of zo… Door je val kreeg je een hoofdwond.’

Hugo kijkt me een paar seconden indringend aan.

‘Je hebt niet gezien wat er gebeurd is?’

Ik denk even na, terwijl ik me realiseer dat dit een vreemd gesprek is. Ik frons mijn wenkbrauwen.

‘Jawel, ik was er wel bij. Ik was erbij toen je op de grond lag, samen met nog meer mensen. We waren erbij toen je meegenomen werd door de ambulance.’

Hugo blijft me wantrouwend aankijken en ik voel een rilling over mijn rug gaan.

‘Dus je hebt niet gezien dat ik viel? Dat ik geslagen ben met een knuppel?’

Verbouwereerd kijk ik hem aan. Het lijkt erop dat hij niet alles op een rijtje heeft. Zal dat door de klap komen?

‘Je bent geslagen met een knuppel?’ vraag ik.

‘Dat is wat getuigen zeggen…’ Hugo slaat zijn ogen neer. ‘Ik weet er zelf niets meer van…’

Getuigen?

‘Maar hoe…? Wie…? Waarom?’ murmel ik

Hugo kijkt me weer aan. Zijn ogen staan teleurgesteld.

‘Wil je zeggen dat je niets gezien hebt?’

‘Ik… Nee… ik heb niets gezien. Wij zaten aan de andere kant van het restaurant en hoorden een knal en toen we aankwamen lag je op de grond. Ik ben me rot geschrokken…’

Hugo zegt niets. Hij kijkt me alleen maar aan. Tien lange seconden gaan voorbij, waarin hij me alleen maar aankijkt. Het ongemakkelijke gevoel wat ik had groeit. Ik heb het gevoel dat ik wat moet zeggen, maar hij is me voor. 

‘Dat zal best, dat je geschrokken bent’ zegt hij zacht. Voorzichtig komt hij iets overeind, pakt een kop koffie die op zijn tafeltje staat en kijkt me dan weer aan. ‘En hoe ben jij hier terecht gekomen?’

‘Ik ben tegen mijn nachtkastje aan geknald. Maar er is niets aan de hand hoor, ik mag straks weer naar huis,’ zeg ik, terwijl ik mijn wangen weer een beetje rood voel worden van schaamte.

Ik zie een glimlach op zijn gezicht verschijnen. ‘Dat is fijn voor je. Ik hoop dat ik ook snel naar huis mag.’

Ons gesprek wordt onderbroken door het gerinkel van mijn mobiele telefoon. ‘Joris’ staat er in beeld. Ik krijg spontaan weer vlinders in mijn buik, haal diep adem, mompel een verontschuldiging richting Hugo en neem mijn telefoon op. 

‘Met Isabel.’

‘Dag, schatje. Met mij.’

Schatje! Hij noemt me schatje! Oh mijn hemel. Ik voel dat mijn wangen nog roder worden en mijn ogen beginnen te stralen.

‘Hai…’ zeg ik zachtjes.

‘Luister eens, ik heb contact met je ouders gehad en we hebben afgesproken dat je inderdaad beter af bent bij mij thuis. Ik kom je met een uurtje ophalen.’

‘Wacht even… Je hebt mijn ouders gesproken? Mijn moeder ook?’

Ik hoor een klein lachje. 

‘Volgens mij is je moeder een vrij belangrijk onderdeel van ‘je ouders’?’

Kut. Ja. Natuurlijk. 

‘Eh, ja… maar wat zei ze?’ Ik kan me niet voorstellen dat mijn moeder ermee akkoord gaat dat ik bij een wildvreemde man ga uitzieken.

‘Ik ben een kop koffie met haar gaan drinken toen je sliep gisteren, we hebben even gekletst en ze was het met me eens dat het beter voor je is als er altijd iemand bij je is tijdens je herstel. Altijd. ‘ Hij herhaalt zijn laatste woord nadrukkelijk. 

Hij overvalt me een beetje en ik trek mijn kin iets naar achteren.

‘Maar… moet jij dan niet werken?’

‘Ik heb een paar vakantiedagen opgenomen.’

Oh. Goh. Ik heb het gevoel dat ik niets in te brengen heb, maar het zit me niet helemaal lekker. 

‘Het is niet nodig dat er voortdurend iemand bij me is hoor…’ zeg ik zachtjes.

‘Schatje. Ik ga je beschermen. Je bent een gevaar voor jezelf.’ Zijn stem klinkt lachend en zorgt er automatisch voor dat ik ook een glimlach op mijn gezicht krijg.

Waar ben ik nou mee bezig? De man waar ik al ik-weet-niet-hoe-lang omheen loop te draaien, biedt aan dat ik een paar dagen bij hem mag komen… En ik twijfel? Hallo! Isabel! Wakker worden! Mijn glimlach wordt breder.  

‘Een uurtje…. Ik zie je over een uurtje….’ zeg ik zachtjes. 

‘Goed zo, schatje. Tot straks.’

En dan is de verbinding verbroken.

Twee uur later loop ik, gesteund door Joris, zijn appartement binnen. Het ziet er fenomenaal uit. Warme tinten op de muur, een schitterende laminaat vloer, gezellige meubels en een super gaaf schilderij aan de muur. Ik blijf even stilstaan en kijk om me heen. 

‘Je hebt wel je best gedaan zeg…’ 

Er verschijnt een oogverblindende glimlach op zijn gezicht en ik kijk hem aan. Echt waar… die glimlach. Als er een koningin van de wereld zou zijn, dan moet zij zich voelen zoals ik me nu voel. Maar dan zonder het verband. En zonder de pyjama. En met make-up.

‘Ik hou niet van half werk.’ Ik krijg een dikke knipoog en ik voel dat ik rood word. Was dat een dubbelzinnige opmerking?

‘Kom. Ik breng je naar mijn slaapkamer,’ zegt hij.

Oké. Weet je hoe vaak ik gedroomd heb dat hij dat tegen me zou zeggen? Toegegeven… in mijn dromen waren de omstandigheden iets anders… maar toch...

Hij loodst me door een deur en we komen in zijn slaapkamer terecht. De slaapkamer is… bijzonder ingericht. Een witte vloer, witte muren, witte meubels en een knalrood plafond. Ik zie een grote, witte kledingkast, een kleiner kastje en een grote, staande spiegel. Maar het meest opvallende in zijn slaapkamer is toch wel het gigantische hemelbed. Hij moet minstens drie meter breed zijn. Het hemelbed is wit en is voorzien van rode gordijntjes. Zullen die nou ook dicht kunnen of zullen ze puur voor de sier zijn? Het satijnen dekbedovertrek is spierwit, alsof het nog nooit beslapen is. Misschien is dat ook wel zo. Weet ik veel. 

Zwijgend blijf ik even staan om rond te kijken. 

‘Tja… het is nog niet helemaal af… er moet misschien nog wat aan de muur en er moeten wellicht nog wat kaarsjes en zo komen te staan, maar gelukkig heb ik nu een vrouw in huis die me daarbij kan helpen.’ Hij glimlacht voorzichtig en mijn hart maakt een sprongetje.

Dan loopt hij richting het bed en slaat het dekbed open. 

‘Kom, madam, jij hoort in bed.’

Ik twijfel. Moet ik nou zomaar hier in dit bed gaan liggen? Ik voel me toch echt wat ongemakkelijk in deze, voor mij, vreemde kamer.

Hij ziet mijn twijfelende gezicht en zet een stap in mijn richting. Voor ik het weet, trekt hij me in zijn armen en geeft me een zachte kus op mijn lippen. Binnen een fractie van een seconde raast de adrenaline door mijn lijf, als ik zijn warme lippen op de mijne voel, en mijn knieën voelen direct aan als pudding, waardoor ik bijna door mijn benen zak. Zijn sterke arme houden me, godzijdank, stevig vast.

’Kom maar, schatje…’ zegt hij, terwijl hij me voorzichtig naar het bed begeleidt.

Wow. Oké. 

Ik laat mijn vest van mijn schouders vallen en kruip onder het witte, satijnen dekbed.

‘Ik moet straks wel even naar huis om wat kleding op te halen…’ stamel ik, terwijl ik de heerlijk zachte deken over me heen trek. 

‘Dat regel ik allemaal wel… Jij gaat nu even slapen.’ Zijn stem klinkt doortastend. Ik durf er niets tegen in te brengen. 

Hij trekt de deken nog wat verder over me heen. 

‘Slaap lekker, schatje.’

Dan geeft hij me voorzichtig een kus op mijn voorhoofd, pakt mijn vest van de grond en loopt naar de deur. 

‘Wacht even! Mijn telefoon zit nog in mijn vest!’ Ik veer iets overeind. 

‘Die heb je niet nodig. Slapen.’ 

Hij geeft me een laatste knipoog en trekt dan de deur achter zich dicht. 

Opeens ben ik helemaal alleen. Ik kijk om me heen. Het bed is écht gigantisch, maar wel heerlijk zacht en warm. Ik kijk nog even goed in de kamer rond. Er moet inderdaad nog wat gebeuren om wat meer sfeer te creëren. Mijn ogen glijden langs de meubels en eindigen dan bij het rode, perfect geschilderde, plafond. Bizar, maar het heeft wel wat.

Ik voel mijn hoofd bonzen en de adrenaline die zojuist door mijn lichaam raasde, begint langzaam iets af te nemen. Misschien heeft Joris wel gelijk en moet ik inderdaad even gaan slapen. Ik bel straks mijn moeder wel even dat ik veilig aangekomen ben en dat er niets met me aan de hand is. Langzaam daalt mijn hartslag naar een normaal ritme. Ik haal diep adem. Daar lig ik dan… in het bed van Joris… Hoe in godsnaam is het mogelijk dat ik hier terecht ben gekomen? Is het niet enorm vreemd dat ik hier ben? Ik bedoel… ik ken hem amper. Het stemmetje in mijn hoofd zegt: ‘Isabel… niet zo zeuren. Geniet!’

Dan sluit ik mijn ogen en val vrijwel direct in een diepe, diepe slaap…

‘Isabel.... word je wakker?’

Wie heeft het lef om me wakker te maken? 

‘Isabel… ik heb wat te eten voor je. Je moet even wat eten.’

Rot op. Laat me met rust! Ik knijp mijn ogen stevig dicht.

‘Schatje, word nou wakker….’

Schatje?! Oh god. Het is Joris. 

Voorzichtig open ik één oog… Ik zie een stralend gezicht voor me. 

Dan word ik me ervan bewust dat ik midden op het bed lig, op mijn buik, met mijn hoofd tussen twee kussens in. Mijn mond staat open en ik voel een klein straaltje kwijl langs mijn mondhoek lopen. 

Oh, god. Nee toch.

Snel doe ik mijn mond dicht en met mijn hand wrijf ik over mijn kin. Dan kom ik langzaam overeind. 

‘Heb je lekker geslapen?’ vraagt Joris zachtjes. ‘Je hebt zo lang liggen slapen, het is al tijd voor je diner…’

Huh? Hoelang heb ik in hemelsnaam geslapen dan? Mijn ogen zoeken de kamer door, op zoek naar een wekker of een klok, maar ik kan niets vinden. 

Dan zie ik een groot dienblad op het nachtkastje staan. Er staat een bord met dampende pasta op en een groot glas water. De pasta ruikt heerlijk en ik krijg spontaan honger. 

Joris klopt de kussens op het bed op, zodat ik rechtop kan gaan zitten. Dan zet hij voorzichtig het dienblad op mijn schoot. Ik zie dat hij een spierwitte servet pakt, deze uitvouwt en op mijn borst legt. Mijn hart gaat tekeer als hij met zijn vingers langs mijn schouders gaat.

‘Ga je even lekker eten?’ vraagt hij zachtjes. Zijn stem klinkt zwoel. Met grote ogen kijk ik hem aan. 

‘Moet jij niet eten?’ vraag ik.

‘Ik heb al gegeten. Eet maar lekker op. Alles. Je moet goed eten. Ik kom straks weer even bij je terug… voor het toetje…’

Ik voel dat mijn ademhaling spontaan zwaarder wordt. Wat doet die man toch met me?

Joris loopt de kamer uit en ik kijk naar het grote bord met eten. Mijn maag knort en ik heb zo’n trek dat ik er niet eens meer over na denk. Voorzichtig neem ik een hapje van de pasta. Het is heerlijk, alsof het een paar minuten geleden in Italië gemaakt is en hierheen geteleporteerd is. Ik laat de smaak even op mijn tong inwerken, voordat ik het doorslik.

Binnen tien minuten heb ik het hele bord leeg en is het servet besmeurd met rode saus. Ik kijk goed om me heen of ik het dekbed schoon heb gehouden en wonder boven wonder is dat het geval. Ik moet plassen en zet met uiterste precisie het dienblad terug op het nachtkastje. Dan klim ik voorzichtig uit het bed. Mijn hoofd tolt.

Zo goed en kwaad als het kan, schuifel ik naar de deur. Ik druk hem open en kijk recht in het woedende gezicht van Joris. 

‘Waar denk jij in godsnaam dat je mee bezig bent?!’

Eh… Pardon?

‘Ik moet plassen…’ zeg ik met een klein stemmetje. 

Het gezicht van Joris verzacht direct. 

‘Plassen…’ herhaalt hij.  

Eh… ja. Mensen doen dat soms. 

Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. 

‘Sorry, schatje… ik heb je moeder beloofd dat ik goed voor je zou zorgen en dat ik je in de gaten zou houden. Ik ben een man van mijn woord… Ga maar snel naar het toilet.’

Ik knik en kijk hem vragend aan. 

‘Wil je dan even aan de kant gaan?’ 

‘Oh ja, natuurlijk. Sorry.’ Hij zet een stap opzij en ik schuifel verder richting het toilet, terwijl ik weer een ongemakkelijk gevoel krijg. Ik weet dat hij me nakijkt. Ik voel zijn ogen in mijn rug branden en ik realiseer me dat mijn pyjamabroek niet per definitie het kledingstuk is, waarin mijn billen het beste uitkomen. Bijna onzichtbaar schud ik even met mijn hoofd en ik adem haperend in. Dit is zó niet hoe ik het bedacht had allemaal.

Als ik terug kom, staat Joris met een stralend gezicht in de woonkamer. 

‘Klaar voor het toetje?’ fluistert hij.  

Oh. Wat klinkt dat ongelooflijk sexy… 

‘Wat had je in gedachten?’ vraag ik zachtjes.

Hij grijnst. 

‘Ik heb heerlijke verse aardbeien… met slagroom….’

Mijn hart zit in mijn keel. Serieus. Slagroom? Oh mijn god. Als ik bedenk wat ik daar allemaal mee kan doen…

‘Ga even lekker zitten, dan pak ik het voor je.’

Ik schuifel naar zijn bank. Ik merk dat ik echt nog niet fit ben en ik voel dat ik wat duizelig word.  

‘Oh, trouwens…’ Komt zijn stem uit de keuken. ‘Ik heb per ongeluk je telefoon laten vallen. Er is niets meer mee te beginnen. Ik regel zo snel mogelijk een nieuwe voor je.’

Ik veer iets omhoog. Godver! Echt? Mijn telefoon? Ik moet mijn moeder nog bellen!

Alsof hij me gedachten kan lezen gaat hij verder met praten. 

‘Je hoeft je geen zorgen te maken, ik heb Bo om het nummer van je moeder gevraagd en haar meteen even gebeld voor je. Ze was blij dat het goed met je ging. Vanavond ging ze weg, dus morgen belt ze je nog even. Je kreeg de groetjes.’

Oh. Ik had haar graag zelf even gesproken… maar goed, dat komt dan morgen wel.

Terwijl ik me op de bank nestel, komt Joris met een grote schaal verse aardbeien aan. Zijn donkere ogen glinsteren in zijn gezicht. 

‘Kijk eens, schatje. Met slagroom…’

Dankbaar kijk ik hem aan. 

‘Ik vind je lief. Dankjewel…’ fluister ik zachtjes. 

Hij glimlacht. 

‘Alles voor mijn schatje.’

Dan komt hij naast me zitten en pakt een aardbei. 

‘Mond open.’  Zijn stem heeft weer die indringende toon. 

Ik doe wat hij zegt en open mijn mond een stukje. Hij doet er voorzichtig een aardbei in, terwijl hij me diep in mijn ogen aan blijft kijken. 

‘Eet, meisje… eet…’


Ik plaats wekelijks nieuwe delen. Wil je op de hoogte blijven?

 

Like mijn Facebookpagina (klik hier) of volg me op Instagram (klik hier)